Blog Schepping

6 juni 2021. Avondsfeer

2021-06-06

Het weekend is voor mijn doen ongewoon druk geweest met mensen van allerlei pluimage. Vrijdag was er een provinciale nachtvlindernacht in landgoed Oldehaeve bij Dwingeloo met 15 deelnemers. Zaterdagochtend nam ik deel aan een happening in Lhee ter gelegenheid van de presentatie van ‘Nederland is ook van ons’, een protestlied van Rob Chrispijn tegen de verloedering van het landschap. Zaterdagmiddag gaf ik een rondleiding door Schepping voor volgers van het Scheppingblog en zondag vierde ik met mijn naaste familie een ernstig verlaat nieuwjaar omdat dit eerder door alle coronarompslomp te lastig was.
Vanavond heb ik even tijd voor mezelf. Ik ga een half uurtje simpel boompjes steken op het Bevrijde Land. Mijn schep staat nog klaar op de plek waar ik deze eindeloze klus heb onderbroken. Gedachten op nul, de blik op oneindig, maar met mijn zintuigen wijd open voor de klanken, kleuren en geuren van deze zomeravond.
Het is al schemerig, maar toch wordt het lichter op het veld doordat het grijze wolkendek vanuit het noorden openbreekt in bleekblauwe hemelvlakken. De overblijvende wolken kleuren aan de onderkant chocoladebruin, een laatste aandenken van de zon die al achter de horizon verdwenen is. Het silhouet van de linde bovenop Tao tekent zich scherp af tegen de lucht. Het lijkt of iemand de boom met inkt op het zwerk getekend heeft.
Opeens beginnen alle kikkers in de Azuren Zomp heftig te kwaken. Zou Ajax toch de Europacup gewonnen hebben? Even later zijn ze weer stil. Nep nieuws zeker. Aanstellerij voor niks.
Een vleug rozengeur dwarrelt voorbij vanuit het struweel op de oostelijke aarden wal die Schepping begrenst. Ik laat de spade rusten om dit heerlijke aroma bewust in te ademen. Dat kan maar een paar dagen in het jaar. Dan zijn de wilde rozen alweer uitgebloeid en kom ik hun roze bloemblaadjes alleen nog af en toe tegen in mijn kruidenthee, als herinnering aan de feestelijke tijd waarin het voorjaar overvloeit in zomer.
Intussen steken de zanglijsters de kikkers naar de kroon wat volume betreft. Het is een uitzonderlijk goed lijsterjaar met vier broedparen vlak bij huis. Tegen het invallen van de duisternis bestijgen de mannetjes iedere avond de hoogste boomtoppen om van daaruit hun zangduels uit te vechten, zonder dat die ooit in een fysieke strijd ontaarden. Er valt ook nooit een winnaar aan te wijzen. Misschien ben ik wel de winnaar, want ik geniet met volle teugen van hun zangkunst en deel in hun levenslust.
Het wordt donker. De duizenden witte bloemen van de akkerhoornbloem lijken te zweven boven het donkere groen van grassen en kruiden. Uit de verte nadert het sonore geroep van Canadese ganzen. Daar verschijnt het vaste paartje van het Kristalmeer boven de westelijke bosrand. Met twee poten schuin naar voren strijken ze met een flinke plons neer in het rimpelloze water. Een veilige en rustige plek voor ze om de nacht door te brengen.
Tijd voor mij om naar huis te gaan.

4 juni 2021. Naaktlopers in de moestuin

2021-06-04

Heb je ook zo’n overlast van ongenode naaktlopers in je tuin? Of wellicht beter: naaktglijders alias slijmjurken.
Iedere rechtgeaarde tuinier zal nu wel doorhebben dat ik het over naaktslakken heb. Sommigen vinden het alleen al wegens hun naam vieze beesten, maar zo preuts ben ik niet uitgevallen. Ik heb vooral bezwaar tegen hun vraatzucht en hun voorliefde om bedden met tere, jonge groenteplantjes in één nacht finaal op te eten. Daar komt hun taaie slijmerigheid dan nog bij.
Eigenlijk was ik naaktslakken een beetje vergeten, want de afgelopen drie droge lentes en zomers zag ik ze nauwelijks in mijn tuin. Maar met dit natte, koele voorjaar hebben ze zich enthousiast vermeerderd. Dat merkte ik vandaag bij het wieden van de moestuin. De helft van de jonge koolplanten, sla en raapstelen waren verdwenen en de boosdoeners in alle tinten tussen oranje en zwart deden zich nog te goed aan mijn kostbare prille groentes.
Deze misstand vroeg om kordaat optreden en binnen een mum van tijd had ik twee volle handen volgevreten slakken verzameld die ik in de vuilnisemmer voor groenafval deponeerde. Daarna even mijn handen wassen die onder het slijm zaten. Ze voelden aan alsof er heel dunne latexhandschoenen omheen zaten. Even wassen…. Nou, dat heb ik geweten. Een stevige straal koud water hielp niets, heet water ook niet. Dan maar flink zeep gebruikt. Na het afspoelen waren mijn handen nagenoeg even slijmig als voordien. Ook afwasmiddel bood geen soelaas. Zelfs met een schuursponsje kon ik me maar gedeeltelijk van het slakkenslijm ontdoen. Uiteindelijk kon ik met een nagelborsteltje het grootste deel van mijn huid schrobben. De restjes schraapte ik met een bot mes van mijn handen. Bèèh, wat een vieze beesten!
Ik kon me vaag herinneren dat ik eerder met een zelfde schoonmaakklus ben bezig geweest. Voortaan trek ik een handschoen aan als ik naaktslakken van de groentes pluk. Ze lijken kwetsbaarder dan huisjesslakken die zich bij gevaar in hun stevige huisjes kunnen terugtrekken. Maar het taaie slijm van naaktslakken biedt ook een goede bescherming. Er zijn daardoor maar weinig dieren die ze lusten, waaronder kippen, eenden, eksters en egels.  Bij gebrek aan deze predatoren ontwikkelen tuinbezitters hun eigen bestrijdingsmethodes. Sommigen grijpen naar slakkenkorrels of andere chemische middelen. Mijn vriend Rob is erg diervriendelijk. Hij verzamelt naaktslakken iedere avond in een emmer. Als de taak is volbracht, brengt hij de emmer per fiets een kilometer weg om de slakken vrij te laten bij een maïsakker, ver van de bewoning. Of de boer daar blij mee zal zijn…..
Een vriendin van me met een reusachtige moestuin is wat minder scrupuleus. Bij een slakkenplaag gaat ze haar moestuin in, gewapend met een scherpe schoffel, en steekt iedere naaktslak die ze ziet dwars doormidden. Ze meldde vol trots dat het aantal gehalveerde slakken binnen twee weken gedaald was van achthonderd tot honderd per nacht. Het helpt dus wel…..
De meest opmerkelijke bestrijdingsmethode kwam ik tegen op een weblog van ‘Boswachter Frans’. Hij beveelt naaktslakken aan als menselijk voedsel en geeft onderstaand recept van een ‘overheerlijke slakkensoep’. Ik heb ook twee reacties overgenomen. Persoonlijk moet ik bij de gedachte aan naaktslakkensoep alleen al kokhalzen, maar ik wil niemand ontmoedigen om hier serieus werk van te maken. Ik hoor graag van culinaire waaghalzen hoe het recept bevalt….

2021-06-04-2

—————————————————————————————————————–

Recept van Boswachter Frans
Hieronder tref je dan ook een recept voor naaktslakken, maar er zijn meerdere recepten te vinden op internet. Smakelijk zou ik zeggen, alleen ik moet eerlijk zeggen, dat ik liever bewonderd kijk hoe deze dieren zich voortbewegen in de natuur!

Een recept voor het klaarmaken van naaktslakken
Dit recept is voor een overheerlijke soep.
40 verse zwarte naaktslakken, het liefst uit eigen tuin (met kop)
2 eetlepels olijfolie
3 ui, 1 knoflook, 1 laurierblad
3 winterwortelen
2 vleesbouillonblokjes
1 flesje oud bruin bier.

Wrijf de pan in met de knoflook. Fruit de in ringen gesneden ui in de olijfolie. Was de verse, nog levende slakken onder koud water goed af en snij ze in dobbelsteentjes van ± 1,5 cm. Voeg de slakken bij de uien, even aanbakken en vervolgens 0,75 l water toevoegen. Smoor uien en slakken op een laag vuurtje in ca. 15 minuten samen met de bouillonblokjes, het laurierblad, de in stukjes gesneden wortel en naar smaak lettervermicelli of snelkookrijst. Voeg daarna nog 1 liter water en het flesje oud bruin toe (en eventueel zout en peper). Eén minuut laten doorkoken. Serveren met versgehakte peterselie.

Posted by Brabants Dagblad on juli 12, 2012 at 04:33 nm

Reacties
….? Levende naaktslakken in dobbelsteentjes snijden…??? Dit is toch te gruwelijk voor woorden. Dit is toch een vreselijke dood. Dat doe je toch niet!?
Geplaatst door: Gnikenne | 13 jul 2012 10:28:51

Nee Frans, er is genoeg te eten, laat die naaktslakken met rust. NOOIT eten !!!

28 mei 2021. De Zwartvlerkbladjager en ander klein beestenspul

2021-05-28-1 2021-05-28-2Zwartvlerkbladjager (links) en Smalbandwespbij (rechts)

Een stralende lentedag en overal bloemen in veld en beemd! Het is een toptijd voor margrieten en boterbloemen en dus ook voor kleine beestjes die van nectar en stuifmeel leven. Als ik door het veld struin, zie ik op de bloemen allerlei kevertjes, wantsen, vliegen, bijen en motjes. Een fantastische kleur- en vormenrijke wereld waarvan ik altijd heb genoten. Het was echter een onmogelijke opgave om al die beestjes op naam te brengen met de beschikbare literatuur. Daardoor bleven het anonieme vriendjes, een beetje op afstand.
Recent is daarin verandering gekomen door de ontwikkeling van goede computerprogramma’s voor beeldherkenning. Voor herkenning van dieren en planten is de app Obsidentify gratis beschikbaar, onderdeel van de website Waarneming.nl. Als ik een duidelijke foto van een insect upload, krijg ik na korte tijd de naam van het beestje te zien, met daarbij aangegeven hoe betrouwbaar de identificatie is. Als die boven de 99% uit komt, zit je bijna altijd goed.
Nu ga ik af en toe met een camera de tuin in om onbekende insecten te fotograferen en via het programma de naam te achterhalen en als het even kan ook bijzonderheden over hun leefwijze. Vandaag was dat een succes, want alle tien gefotografeerde soorten werden door Obsidentify zonder problemen herkend en van een passende naam voorzien. Ik zal een paar nieuwe vriendjes aan jullie voorstellen.
Ik begin met de Zwartvlerkbladjager die ik betrapte op de schermen van cipreswolfsmelk. Voordien had ik er nog nooit van gehoord, maar dit insect schijnt op de zandgronden algemeen te zijn. Het is een opvallende, slanke vlieg van ongeveer een centimeter met rode poten, donkere vleugels en een steeksnuit. Ja, ook een vlieg kan mooi zijn. Hij hoort tot de familie van de roofvliegen die bij zonnig andere insecten vangen en leegzuigen. Vandaar de naam jager en vandaar die steeksnuit. Ze hebben het niet op ons gemunt.
Op een Akkerhoornbloem zag ik een kleine wesp met een echte wespentaille en zoals andere wespen geel-zwart gestreept, waarschuwingskleuren om eventuele belagers af te schrikken. Foutje. Het bleek een Smalbandwespbij te zijn, een bijensoort die zich vermomt als wesp. Verkleed gaan als wesp heeft kennelijk voordelen, want ook wespvlinders en zweefvliegen passen deze truc toe. De Smalbandwespbij parasiteert op allerlei zandbijen die nestholletjes graven in droge zandgrond. Ook deze soort is in ons land algemeen tot in steden.

2021-05-28-4 2021-05-28-3Schaakbordlieveheersbeestje (links) en Vogelnestkever (rechts)

Daar vlakbij huisde een gevlekt kevertje in een Akkerhoornbloem. Aan het bolle lijfje en de stippels kon ik hem wel herkennen als een lieveheersbeestje, maar daarvan komen in ons landje zestig soorten voor. Wereldwijd trouwens zo’n 350.000, dus we zijn armzalig bedeeld. Het bleek een Schaakbordlieveheersbeestje, zo genoemd vanwege de hoekige stippen op de dekschilden. Dit wat te lange scrabblewoord wordt nog overtroffen door de wetenschappelijke naam: Propylea quetuordecimpunctata. Ga er maar aan staan!
Een fraai getekend, compact torretje van twee millimeter op een margriet bleek een Vogelnestkever. Hij dankt zijn naam aan de larven die dood plantaardig en dierlijk materiaal eten en vaak in vogelnesten worden gevonden. Het kevertje zelf is een bloembezoeker die stuifmeel eet. Ik had hem nog nooit eerder gezien, maar ook de Vogelnestkever is in Nederland helemaal niet zeldzaam.

2021-05-28-5 2021-05-28-6
Dwerglangsprietmot (links) en Dwerghuismoeder (rechts)

Bij de blauwe oogjes van de Gewone ereprijs ontmoette ik een oude bekende: de Dwerglangsprietmot. Ik had dat vlindertje een paar jaar geleden ook al in Schepping gezien. Het is slechts een paar millimeter groot, maar wat een parmantige schoonheid. De Dwerglangsprietmot gaat in Drenthe voor zeldzaam door, doch zal stellig vaak over het hoofd worden gezien.
Als laatste fotografeerde ik een vlindertje met breed driehoekige vleugels op een Akkerhoornbloem; een anoniem motje met een onbestemde bruin en grijs gemarmerde tekening. Mijn verrassing was groot dat dit beestje van krap een centimeter door taxonomen tot de uilen wordt gerekend. Een macronachtvlinder dus.
Het was de Dwerghuismoeder, een soort waar ik als nachtvlinderliefhebber al jaren naar uitkeek maar steeds tevergeefs. En nu, op mijn eigen land, zag ik hem eindelijk, maar herkende ik hem niet. De Dwerghuismoeder wijkt niet alleen af van de meeste nachtvlinders door het minieme formaat, maar ook doordat de vlindertjes niet in het donker actief zijn. Hij vliegt overdag bij zonnig weer boven schrale graslanden en bezoekt dan bloemen. De rupsjes leven op muur en hoornbloem. Geen toeval dus dat het vlindertje op een Akkerhoornbloem zat.

24 mei 2021. Narrentasjes

2021-05-24

Toen ik vele jaren geleden de bossingels rondom Schepping aanlegde, heb ik nogal wat inheemse Vogelkers geplant. Inmiddels zijn de stekjes van toen uitgegroeid tot flinke struiken en bomen, een enkele zelfs tien  meter hoog. Ik houd van de overdadige bruidstooi van de vogelkers in april, wanneer de bomen vol hangen met witte, sterk ruikende bloemtrosjes. Nu zijn ze alweer uitgebloeid. De bloemen hebben plaats gemaakt voor groene besjes die later bij rijpheid glanzend zwart worden.
Maar dit jaar is er iets merkwaardigs aan de hand met mijn vogelkersen. In plaats van trossen groene besjes hangen er overal bundeltjes geelgroene flapjes aan de takken. Het zijn misvormde bessen, vruchtengallen veroorzaakt door een aantasting van de schimmel Taphrina padi.  Een of andere malloot heeft daarvoor vanachter zijn bureau de ‘officiële’ Nederlandse naam Vogelkersheksenbezem bedacht. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet, want de schimmel is verwant met de Berkenheksenbezem (Taphina betulina) die de bekende dicht vertakte heksenbezems op de takken van berken veroorzaakt. De misvormde vruchten aan de vogelkers vertonen daarmee echter geen enkele gelijkenis, dat zijn meer groene tongetjes. Een andere soort, Taphrina pruni, vormt soortgelijke vruchtengallen op sleedoorn. Die heeft de leuke en toepasselijke naam ‘Narrentasje’ gekregen. Op de interessante website over Nederlandse plantengallen (met de enigszins misleidende naam http://bladmineerders.nl) wordt de schimmel op vogelkersbessen lekker eigenwijs aangeduid als Vogelkersnarrentasje. Een prima idee.
Het is opmerkelijk dat ik deze narrentasjes nooit eerder in Schepping heb gezien in de dik veertig jaar dat ik hier woon. En nu hangen de vogelkersen ermee vol. Van sommige bomen is wel 90% van de bessen vernarretast! Ik las ergens dat deze schimmels sterk bevorderd worden door een koel en nat voorjaar. Dat hebben we inderdaad achter de rug. Het neemt niet weg dat de natuur ons voortdurend verrast met onverwachte uitbarstingen van allerlei organismen. Dit jaar een narrentasjesepidemie.
Ik laat me graag verrassen door de natuur.

23 mei 2021. Kuikenloos

2021-05-23

Zoals ik al voorzag, is het met de eendenkuikens onder het gezag van moeder gans slecht afgelopen. Op 20 mei waren er van de drie donsballetjes nog maar twee over. Nu is ook het laatste jonge eendje verdwenen. Ik vermoed dat de levenswijzen van wilde eendjes en Canadese ganzen niet goed op elkaar zijn afgestemd en dat de kuikens daardoor onvoldoende voedsel en bescherming kregen. Mogelijk heeft een reiger kans gezien om de  argeloze jonkies te pakken te krijgen. Hoe het ook zij, ze zijn verdwenen. Het Kristalmeer is daardoor opeens veel minder levendig. Ik mis ze.
Of dat voor de pleegouders ook geldt, is de vraag. Pa en moe gans staan hun veren te poetsen langs de waterkant en gaan daarna lekker luieren in het zonnetje. Het lijkt of ze een welverdiende vakantie vieren.

18 mei 2021. Na regen komt zonneschijn

2021-05-18-1

Het is donker in de kamer tijdens het avondeten en de regen klettert tegen de ruiten. De bui is hevig maar kort. Even later piepen alweer zonnestalen onder de wolken door die de esdoorn achter het huis in een gouden gloed zetten. Een uitnodiging om een frisse neus te halen voordat de nacht valt.
Inderdaad, fris is het. De bomen druppen nog na en het is sterk afgekoeld. De lucht is gereinigd van alle stof, kraakhelder en knisperend. Door het eikenbos loop ik naar het landje van Moet om te zien hoe het met mijn schapen gaat die daar al een paar weken grazen. De dieren zien er prima uit en met het gras kunnen ze nog weken vooruit. Ze blèren blatend om snoepgoed en ik strooi wat schapenbrokjes in hun voerbak.
Het Landje van Moet ligt op een hoge zandrug en biedt oostwaarts een weids uitzicht over de aangrenzende landerijen. Een grootschalig landbouwgebied waar ik gewoonlijk weinig aandacht aan schenk. Nu blijf ik ademloos staan. De laagstaande zon beschijnt de wegtrekkende, reusachtige buienwolken. Een luchtkasteel van de buitencategorie.

2021-05-18-2

Ik wandel terug door het sprookjesachtige avondland. De eiken tegenover mijn huis steken alweer scherp af tegen een opaalblauwe hemel,  terwijl de zon net achter de horizon verdwijnt. Bij de buren zingt een merel zingt zijn hoogste lied vanuit de top van een conifeer. Vrede op Aarde…..

2021-05-18-3

2021-05-18-4

13 mei 2021. Poolse toestanden

2021-05-13-1

Vandaag ga ik op mijn jaarlijkse lentebedevaart naar de Geeserstroom in het zuiden van Drenthe. Het landschap aldaar is twintig jaar geleden opnieuw ingericht. Daarbij is de rechtgetrokken beekloop omgevormd in een bochtige, meanderende, avontuurlijke waterloop door ruige graslanden en  moerassen met oeroude eikenwallen en elzensingels. Een heerlijk gebied om doelloos rond te zwerven onder weidse wolkenluchten. Ik kan er een wandeling uitstippelen van 15 kilometer over onverharde paden zonder een huis te zien. Slechts af en toe kom je een mens tegen, maar vogels des te meer. In de lente houd ik daar een lijstje van bij en vandaag kom ik uit op 58 soorten.
De Roonboomdijk is tegenwoordig een karrenspoor door een groot en zompig gebied dat nauwelijks voor mensen begaanbaar is. Veel ruige moerasvegetaties, hier en daar plukjes riet en wilgenstruwelen. Uit een afgelegen wilgenbosje klinkt opeens een luid, hees getrompetter. Kruuie! Kruuie! Zoiets. Mijn nekharen gaan ervan overeind staan. De oerkreet van een baltsende kraanvogel!
Even later vliegt een grote vogel met een paar machtige vleugelslagen op uit het drasse land. Beter gezegd: hij verheft zich majestueus boven het moeras. Traag cirkelend op wijd gespreide vleugels stijgt de kraanvogel op in de richting van de witte wolken. Dat gaat verbazend snel. Na een minuut cirkelt hij al hoog boven me, omhoog gestuwd door de thermiek van opstijgende warme lucht.  Hoger, almaar hoger stijgt de vogel op. Hij wordt een silhouet tegen de voortglijdende wolken. Ik pak mijn kijker erbij. Het blijkt dat de kraanvogel niet alleen in de wolken is. In mijn kijkerbeeld cirkelen ook twee ooievaars en een buizerd. Met het blote oog niet meer dan stipjes aan de blauwe hemel. Een paar momenten zweef ik met ze mee, verheven boven het aardse gewoel.

2021-05-13-2

Ik realiseer me dat ik getuige ben van een klein wonder. Twintig jaar geleden zou ik voor kraanvogels nog naar Polen reizen en een gat in de lucht springen als ik een kraanvogel en een ooievaar tegelijk in beeld had. Nu broeden kraanvogels op diverse plaatsen in ons land en zijn ooievaars weer gewone verschijningen geworden.
Het is niet alleen maar kommer en kwel met de natuur.

12 mei 2021. Pleegouderzorg

2021-05-12

Op 25 april vertelde ik over een paar Canadese ganzen dat een eendennest had gekaapt op het eilandje in het Kristalmeer. Ik had er een hard hoofd in, maar vanmorgen zwemmen de ganzen rond met drie eendenkuikentjes in hun kielzog. Ze zijn aandoenlijk piepklein ten opzichte van de pleegouders. Geen grandioos broedsucces voor een nest met tien eieren, maar daar kon moeder gans wellicht niets aan doen. Het kan best zijn dat een deel van de eieren onbevrucht was.
De ganzen weten zich niet zo goed raad met het kleine spul. Jonge ganzen gedragen zich heel gedisciplineerd en zwemmen braaf in kolonne tussen pa en moe in. De eendjes onttrekken zich echter voortdurend aan het ouderlijk gezag en schieten alle kanten op, een mugje achterna. Wanneer pa en moe de oever op gaan om te grazen, blijven de kuikens achter in het water, luid piepend tot de ganzen teruggekeerd zijn. Een huishouden van Jan Steen.
Wordt vervolgd.

6 mei 2021. Knabbel en Babbel
Het wordt steeds drukker op de voertafel, zeker nu ik er een schaaltje bij heb gezet met walnoten van eigen oogst. Niet alleen eekhoorns weten die te waarderen, maar ook een Grote bonte specht uit het naburige eikenbosje.

DSC04040 - kopie

Vandaag komt de rossige eekhoorn weer smikkelen van zijn dagelijkse rantsoen noten en zonnepitten, maar hij heeft nu een maatje meegenomen om samen te tafelen. Het is een wat spichtiger exemplaar met een notenbruine vacht en een minder volle, grijsachtige staart. Babbel, vermoed ik.
Erg gezellig zijn ze niet, want samen eten is er niet bij. Knabbel en Babbel wisselen elkaar voorbeeldig af bij het notenbakje. Zo gauw de rooie een noot in zijn handjes heeft, springt hij van de tafel om er op de grond rustig aan te gaan knagen. Daarna is het de beurt aan grijsstaart om er eentje weg te grissen. Het is een speelse stoelendans bovenop de tafel.
Misschien moet ik er de volgende keer voor de sfeer een notenlikeurtje bij serveren, zodat ze met elkaar kunnen proosten.

DSC04026 - kopie DSC04028 - kopie
Knabbel en Babbel

3 mei 2021. Pluimstaart
De kille noordenwind weet van geen wijken en de koude april sleept zich gewoon voort, alsof mei niet op de kalender staat. Zelfs nu nog strooi ik iedere ochtend een paar handen zaden en zonnepitten uit op de voertafel achter het huis. De tuinvogels maken er dankbaar gebruik van; een bont gezelschap van appelvinken, vinken, groenlingen, ring- en huismussen, koolmezen, pimpelmezen, geelgorzen, merels, holenduiven, eksters, gaaien, een heggenmus en een roodborstje.
Vanmiddag zit er opeens een bijzondere gast bovenop de tafel: een eekhoorn zo uit het boekje. Het is een parmantig beestje met een warmrode vacht, een fraaie pluimstaart net zo lang als zijn lijf en toegespitste oren. Hij heeft alleen belangstelling voor de zonnepitten die hij keurig in zijn handjes vastpakt en dan met zijn tanden van de schil ontdoet. Ja, een eekhoorn heeft aan het einde van zijn voorpoten echte handjes, waarmee hij zijn noten en ander eten beetpakt zoals een peuter een koekje. Het zal wel een van de redenen zijn dat de meeste mensen eekhoorns zulke schatjes vinden. Het is een genot om hem zo van nabij gade te slaan, terwijl hij nu en dan zijn staart boven zijn hoofd krult om te showen dat hij de mooiste pluimstaart heeft in heel Holthe.
Ik heb een vogelliefhebber eens meesmuilend horen zeggen: ‘Eekhoorns zijn gewoon leuk uitgedoste ratten’.  Een boute bewering, maar er zit iets in, niet alleen omdat het allebei knaagdieren zijn, maar ook vanwege hun reputatie als alleseters. Eekhoorns eten niet alleen zaden en noten, maar ze lusten ook vogeleieren en consumeren af en toe zelfs een jonge vogel.
Eigenlijk vreemd dat zoveel mensen de pest hebben aan dieren die vogelnesten uithalen, zoals gaaien, eksters en soms eekhoorns. Zelf eten we toch ook eieren en af en toe een kippetje?

DSC03989 - kopie

2  mei 2021. Lammetjesjacht
Vanmorgen werd ik direct klaar wakker uit een droom over twee lammetjes die op een onafzienbare vlakte hartverscheurend stonden te blaten. Inderdaad hoorde ik achter in het Bevrijde Land zacht gejammer. Hoe kreeg ik ze in vredesnaam uit het Bevrijde Land in de Hoge Wei? Ik waagde me weer aan een drijfjacht, net als gisteren, maar nu bij daglicht en met een weloverwogen plan. Ik probeerde ze in een smalle doorgang te sturen tussen twee rasters van schapengas door die naar de stal leidde. Een soort fuik. Wie niet sterk is, moet slim zijn….
Bij de eerste de beste poging om ze te vangen leek ik ze echter al te pakken te krijgen doordat ze zich naar een hoekje van de weide lieten drijven waaruit geen ontkomen mogelijk leek. Maar het bleek dat twee draden van het gaas waren doorgeroest, waardoor een opening in het raster was ontstaan, net groot genoeg om een lam doorgang te verlenen naar het daarachter gelegen sleedoornstruweel. Ik had het idee dat ze me vanuit de doornstruiken uitlachten. Gelijk hadden ze. 
Pas na een uur of zo maakte het zwarte lam de strategische fout door zich in de smalle doorgang naar de stal te begeven. Ik dreef hem langzaam voor me uit. Hij trachtte een paar keer vergeefs over het gaas te springen, maar uiteindelijk liep hij tot mijn verbazing zomaar de stal in. Vlug de deur dicht. Hebbes!
Het jongere witte lam hoorde haar zwarte neefje blaten en volgde hetzelfde spoor. Ik kon natuurlijk niet de staldeur open zetten, dus hoe kreeg ik die nu weer te pakken? Ze liep zich gelukkig voor de stal vast in een hoekje van het gaas. Eenmaal stevig in mijn armen maakte ze geen amok meer. Een lam geeft zich dan gewonnen en hangt er zo’n beetje bij als een zak aardappelen. Ik zette haar aan een plastic koordje achterin de auto. Daarna zwartje proberen te vangen in de stal. Die sprong in zijn paniek met een bokkensprong over het hoge houten schot dat de stal van de hooiopslag scheidt, iets dat ik voor onmogelijk had gehouden. Gelukkig had ik de staldeur goed achter me gesloten, anders was hij er vandoor gegaan, het vrije veld in.
Zo kregen beide lammeren een lift in een Peugeot Partner naar het Land van Moet om daar met hun moeders en de rest van de kudde te worden herenigd. Het lukte me zonder verdere complicaties ze over het hek in de wei te laten zakken. Zwartje en Witje blaatten hartstochtelijk, maar de schapen waren ergens in de bosjes en antwoordden niet. Misschien waren ze ook wel blij dat er even niet aan hun kop werd gezeurd. Maar ik heb alle vertrouwen in een goede afloop van dit schaapachtige avontuur.

schapenDe herenigde kudde op de Hoge Wei

1 mei 2021. Lammetjesnacht
Mijn schapen brengen de laatste weken een aanzienlijk deel van de dag door met blaten. Niet zomaar blaten, nee, heel klaaglijk en zeurderig blaten. Eigenlijk blaten ze me uit. Ze willen gras; vers, mals lentegras. En wel nu meteen. Heel menselijk eigenlijk. Daar kan ik echter niet voor zorgen. In de weitjes nabij hun stal en op het Bevrijde Land is de grasmat nog erg kort. Normaal zou er genoeg staan voor mijn zes Schonebeker heideschapen, maar bij deze lage temperaturen groeit gras nauwelijks en de sprietjes die de kop boven het maaiveld uitsteken, worden al snel door de schapen onthoofd. Ik heb nog wel hooi voor ze van prima kwaliteit, doch als schepen eenmaal vers lentegras hebben geproefd, halen ze daar hun neus voor op. Het lijkt wel of ze nog liever van de honger omkomen. Anorexiaschapen, waarom ook niet.
Ze storten zich overigens wel elke ochtend vol overgave op de schapenbrokjes die ik ze geef, maar dat is snoepgoed, geen maagvulling. Verwende krengen.
Om mijn schapen tegemoet te komen, en van het gezeur af te zijn, heb ik besloten om de kleine kudde vandaag over te brengen naar het Land van Moet. Ook daar is het gras nog kort, maar er is meer te grazen dan in de omgeving van de stal. Dat verweiden van de schapen is ieder jaar een hele operatie omdat er geen vaste doorgang is tussen beide gebieden. Ze zijn van elkaar gescheiden door de lange, voor publiek toegankelijke zandweg. Samen met Christine plaats ik een tijdelijk raster langs een deel van de zandweg dat dan tijdelijk als schapendreef functioneert.
Toen de verbinding tussen de twee gebiedsdelen was gemaakt, volgden de schapen mij al snel naar de nieuwe, weelderige weidegrond. Liever gezegd: ze volgden het pannetje brokjes waarmee ik liep te rammelen. Het leek allemaal gemakkelijk te gaan, maar de jongste, wat angstig aangelegde ooi bleef achter op het Bevrijde Land met drie halfwas lammeren. Na tactisch manoeuvreren lukte het om ook de ooi met brokjes de Hoge Wei in te lokken. Maar de lammeren bleven op afstand, ondertussen luid blatend omdat hun moeders opeens waren verdwenen. Op hun beurt misten de ooien hun kleintjes, zodat zij ook een keel opzetten. De moeder-kindduetten gingen door merg en been. We deden dan ook onze best om gezinshereniging te bewerkstelligen, maar een half uur met z’n tweeën achter ze aan jagen hielp voor geen meter. Uiteindelijk keerden we onverrichterzake huiswaarts voor het avondeten.
Toen Christine om kwart voor tien naar huis ging, was het al bijna donker. Ik ging in mijn eentje een poging wagen om de lammeren te vangen, met mijn koplampje op mijn voorhoofd en een fors vlindernet in de hand. Ik hoopte dat ze in het donker gauw gedesoriënteerd zouden raken, maar de rollen waren omgekeerd. De lammetjes wisten ’s nachts veel beter de weg over het Bevrijde land dan ik. Mijn tactische omtrekkende bewegingen werden afgewisseld door wilde achtervolgingen. Ik voelde me veranderen in een jager, bijna een wolf in mensgedaante die zijn prooi trachtte uit te putten. Niet dat dit zin had, want de lammeren waren sneller en slimmer dan ik. Na een lange rush raakte ik vaak buiten adem en moest ik de achtervolging tijdelijk opgeven. Tijdens zo’n pauze stonden de lammetjes lekker berkenblaadjes te snoepen en me uit te blaten. Herhaaldelijk viel ik op mijn snufferd vanwege oneffenheden in het terrein. De lammeren dansten en sprongen met gemak gracieus over de diepste geulen. Ze verscholen zich steeds in een dicht sleedoornstruweel waar ik alleen op handen en voeten doorheen kon kruipen en de nodige schrammen opliep. Hoe onbeholpen kun je zijn als mens.
Al spoedig viel de duisternis en kon ik alleen afleiden waar de lammetjes zaten aan de reflectie van mijn lamplicht in hun ogen en af en toe aan hun hartstochtelijke geblaat om hun moeders. Die antwoordden al lang niet meer. Zo ging dat anderhalf uur door. Het lukte me uiteindelijk om één lam te pakken doordat het vast kwam te zitten in op de grond liggend schapengaas. Ik zette hem bij de andere schapen in de Hoge Weide. De andere twee ontsnapten elke keer.
Ik was degene die na een uur de uitputting nabij was en de strijd opgaf. Doodmoe droop ik af, met het gejammer van de ontheemde lammetjes in  mijn oren. Of werd ik gewoon uitgejouwd?

schapen-2

30 april 2021. De rode wiekel
Twee jaar geleden heb ik in maart op het Land van Moet een torenvalkenkast opgehangen aan een hoge, dunne eikenstam uit het bosje bij de veenputten. Hij staat in de noordoosthoek van de Hoge Weide, de opening gericht op een grote vlakte van boomloze akkers en graslanden. Torenvalken houden van een wijds uitzicht en een ruime aanvliegroute.

HOL-BOSJE, 2019-02-07, nieuwe torenvalkenkast op hoge weitje-2 - kopie
De torenvalkenkast op de Hoge Wei

Het bleek al gauw dat het een geschikte plek is voor deze prachtige muizenjagers, in de wandeling ook wel ‘rode wiekel’ genoemd. Nog geen week later hing er al een paartje rond de kast. Zowel het mannetje als het vrouwtje zaten er vaak bovenop om de omgeving te laten zien dat dit hun huis was. Dat duurde een paar dagen en toen zijn ze om duistere redenen opeens vertrokken om niet meer terug te keren. In 2020 liet zich geen torenvalk in de omgeving zien. Niet zo verwonderlijk natuurlijk, want deze vroeger zo gewone vogel is sterk afgenomen en staat tegenwoordig zelfs op de Rode Lijst van bedreigde vogelsoorten. Met een torenvalk op je land ben je tegenwoordig een geluksvogel.
Vandaag bezocht ik na een onderbreking van enkele weken de Hoge Weide om het verweiden van mijn schapen voor te bereiden van de graslanden bij mijn huis naar het Land van Moet. Mijn hart maakte een sprongetje van vreugde toen ik bij aankomst een mannetje torenvalk rond de nestkast zag cirkelen. Misschien dit jaar wel succes?

Torenvalk, 2019-04-25, man op nestkast, landje van Moed-3 - kopie
Mannetje Torenvalk op de nestkast in de Hoge Wei

25 april 2021. Onvrijwillige adoptie
Eens kijken waar de ganzen vandaag uithangen na het uithalen van de nesten gisteren. Het paartje van de Zomp staat rustig aan de oever van de plas en lijkt te genieten van het plotselinge overschot aan vrije tijd. Maar in het Kristalmeer staat de gent op wacht en zit het wijfje in broedhouding op het eilandje. Vreemd.
Met de kijker kan ik zien dat zij niet op het oude ganzennest zit, maar het eendennest heeft ingepikt! De oorspronkelijke bewoonster staat er vlak naast beteuterd voor zich uit te staren.
Ik had er nog nooit van gehoord dat een gans eendeneieren gaat bebroeden. Maar op het Internet kom ik al gauw een vergelijkbaar voorval tegen in het Westland dat ik jullie niet wil onthouden. In dat geval ging het om witte soepganzen.
Ik ben benieuwd hoe dit afloopt.

Wilde eend, 2009-04-10, nest Azuren Zomp-1 - kopieHet gekraakte eendennest op het eilandje in het Kristalmeer
————————————————————————————————————————

Bericht in de regionale krant “Het Hele Westland” van 26 april 2018.

Gans met eendeneieren

Wereldschokkend is het niet, maar bijzonder wel: een gans die eendeneieren uitbroedt. Nabij de Adelaarshorst in Honselersdijk heeft een gans een nestje eendeneieren overgenomen. Een eend had eieren gelegd op een in het water gelegen eilandje. Een gans had besloten om daar vlakbij ook een nest te maken en legde ook eieren. Vorige week donderdag werden de eieren van de gans geraapt door medewerkers van de gemeente. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat er teveel ganzen komen. De gans was daarmee haar eieren kwijt en besloot, toen de eend even van haar nest ging, op de eendeneieren te gaan zitten. Tot vorige week wisselden de eend en de gans elkaar af, maar dinsdag kwam er een plotseling einde aan dit bijzondere co-ouderschap. De gans eiste de eieren op en de eend heeft het opgegeven om haar eigen eieren uit te broeden.
———————————————————————————————————————–

24 april 2021. Ganzenperikelen
Schepping lijkt een romantisch natuurparadijsje, waar alles rozengeur en maneschijn is. Maar ook hier kom ik als beheerder wel eens voor lastige dilemma’s te staan, zoals bij de omgang met ganzen als broedvogels. Sinds 2000 hebben ganzen de eilandjes in het Kristalmeer en de Azuren Zomp als veilige nestelplaats ontdekt. Vossen, katten en andere rovers kunnen daar immers niet komen. De eerste paar jaren zaten er één of twee paren nijlganzen, agressieve en lawaaiige  beesten die met elkaar en andere vogels geweldig goed konden ruziën. Ik heb vernomen dat ze soms zelfs bewoonde nesten van haviken inpikken. Dan ben je heel wat mans, als vogel. In Schepping vielen ze soms zelfs uit naar schapen die aan de oever van de plas kwamen drinken. Eén keer schreeuwde een lam het uit toen een nijlgans met zijn snavel zijn staart greep en flink lang bleef trekken. Vasthoudende typetjes zijn het.
De nijlganzen vertrokken toen de Grote Canadese gans op het toneel verscheen. Een flink stuk groter dan de Nijlgans, net zo territoriaal en dus uiteindelijk sterker. Aanvankelijk liet ik de één of twee ganzennesten ongemoeid. Dit had leidde ertoe dat in de zomer een stuk of tien ganzen in Schepping graasden die een formidabele hoeveelheid mest op de oevers van de plassen deponeerden. Vooral dat laatste was bezwaarlijk. Niet alleen vanwege het inwonende hondje dat zich graag in verse ganzenstront rondwentelde, maar vooral omdat er op de plasoevers allerlei bijzondere planten groeien die van schoon, voedselarm water houden. Om die reden worden ganzen door beheerders uit veel voedselarme vennen geweerd door de nesten of de dieren zelf te verwijderen.
Zelf ben ik daar de laatste jaren ook toe overgegaan, zij het met tegenzin, want ik laat liever de natuur zijn gang gaan en het is leuk om een opgroeiend ganzengezin te observeren.

HOL-VOGELS, Canadese gans, 2013-06-16, met jongen, Azuren Zomp-1 - kopie
Canadese ganzen met jongen, Azuren Zomp 2013

Maar de Canadezen hebben mijn sympathie ook door wangedrag een beetje verspeeld. Ik zag een keer met eigen ogen dat een Wilde eend met een sliert pas geboren kuikentjes in haar kielzog argeloos langs een paartje ganzen zwom. Plotseling greep een van de ganzen zo’n donskuiken met zijn snavel en duwde het zo lang onder water tot het dood was. Datzelfde gebeurde het jaar daarop met een jonge dodaars, hetgeen me nog veel meer aangreep. Duidelijke gevalletjes van zinloos geweld, dunkt me. Ganzen eten geen kuikens en van zulk klein grut hebben ze niets te duchten.
Iets minder zinloos, maar wel zo gewelddadig was een conflict met brandganzen een paar dagen geleden. Brandganzen zijn veel kleiner dan Canadese ganzen, maar worden door hen wel als concurrenten beschouwd, te meer daar er soms gemengde paren en bastaarden ontstaan. Terwijl het mannetje Canadees elders vertoefde, had een paar brandganzen de euvele moed om in het Kristalmeer neer te strijken, niet ver van het eilandje met het broedende vrouwtje. Toen de gent terugkeerde, was hij furieus. Eerst joeg hij beide brandganzen op uit het water. Hij achtervolgde er eentje in de vlucht met luid getoeter tot ver buiten de grenzen van Schepping.

HOL-VOGELS, Canadese gans, 2007-06-05, verjaagt brandganzen - kopie
Grote Canadese gans verdrijft twee brandganzen uit zijn territorium

De andere brandgans had zich intussden gedrukt tussen de wilgenbosjes op het eilandje, vlak bij het nest van de Canadees. Dat was niet zo verstandig. De machogent had  hem bij terugkeer direct in de gaten en landde vlak naast de brandgans.  Hij pikte met zijn grote snavel keer op keer keihard midden op de rug van de brandgans tot het arme dier afdroop met bloed op zijn veren.
Ik heb speciaal voor operatie ganzennest een opblaasbootje aangeschaft om naar de eilandjes te kunnen varen, want ik ben niet zo’n heldhaftige zwemmer in water van een graad of acht. Het oversteekje naar de eilandjes ging niet elk jar zonder slag of stoot, want sommige genten zijn zo fel dat ze me klapwiekend letterlijk aanvliegen. Een peddel komt dan goed van pas om zo’n beest van me af te houden.
Vandaag is het weer zo ver. Ik wacht tot de machogent in het Kristalmeer naar elders is vertrokken voor een maaltje mals gras. Het vrouwtje sist als een slang tegen me en blijft op het nest zitten tot ik het bootje aanleg op het eilandje. Ze heeft haar best gedaan; er liggen tien bebroede eieren in! Als ik aan land stap, vliegt er ook een wilde eend van haar nest, op corona-afstand (de welbekende 1,5 meter) van het ganzennest. Ook daar liggen tien eieren  in die ik uiteraard ongemoeid laat.
HOL-VOGELS, Grote Canadese gans, 2019-04-24, paar dreigend bij nest op eilandje Kristalmeer-3 - kopie

In de Azuren Zomp zit een Canadees te broeden op zeven eieren. Als ik geen actie had ondernomen, had ik van de zomer dus 21 ganzen bij de plasjes gehad. Daar is Schepping echt veel te klein voor.

21 april 2021. Grote vos
Terwijl ik over het graslandje achter mijn huis liep, zag ik vanuit mijn ooghoek een merkwaardig streepje op een kaal stukje leem. Ik hield mijn pas in. Het bleek een Grote vos te zijn met dichtgeslagen vleugels in voortreffelijke schutkleuren van gemarmerde aardekleuren. Hij is in die houding al wel goed te onderscheiden van de veel algemenere Kleine vos die op de onderzijde van de voorvleugels een brede, lichte band heeft. Door het abnormaal koude weer was het diertje totaal verkleumd. Ik kon de vlinder zonder probleem oppakken aan zijn vleugelpunten en in een jampot stoppen, want ik wilde ook zijn fraai gekleurde bovenzijde wel eens bewonderen. Eerst lag hij, schijnbaar levenloos, plat op de bodem van het potje, maar in de warmte van de keuken kwam hij al gauw weer tot leven.

Grote vos-1Grote vos, onderzijde

Nu wilde ik nog graag een foto maken van de vlinder met open vleugels. Ik liet hem daarom vrij in de kamer. Deze klus vergde heel wat geduld, kunst- en vliegwerk, want zo gauw de Grote vos neerstreek, sloot hij zijn vleugels en werd het van bovenaf weer een streepje. Uiteindelijk liet hij zich een paar ogenblikken in vol ornaat bewonderen toen hij in de zon tegen het raam fladderde.
De Grote vos was vroeger in Nederland een vrij gewone standvlinder, maar sinds 1950 is hij een zeldzaamheid die steeds verder achteruitging. Het laatste rupsennest werd gevonden in 1996. De laatste jaren wordt hij echter weer vaker gezien en in 2019 is op diverse plekken voortplanting vastgesteld, ook in Drenthe.
De Grote vos lijkt terug van weggeweest!

Grote vos-2
Grote vos. bovenzijde

13 april 2021. Goede oude tijd
Fris weer met een fikse wind uit het oosten, maar prima geschikt voor lichamelijke arbeid. Ik heb wat sleedoorns en andere opgeslagen boompjes van het Bevrijde land overgeplant naar het bomenhoekje in de Hoge Weide. Nu maar bidden dat het dit voorjaar eindelijk niet te droog is om ze te laten aanslaan. De aanplant van drie voorgaande jaren heeft het niet gered op de dorre, droge zandgrond aldaar. Onder het werk beschreef een boomleeuwerik zijn melancholische zangcirkels boven vroegere land van Moet. Adembenemend mooi op deze stille dag. Uit de rand van het dennenbos steeg de eerste boompieper in baltsvlucht omhoog. De lente laat zich niet tegenhouden door een beetje tegenwind.
Net toen ik het houten toegangshek tot de weide wilde afsluiten, kwam over het bospad een bejaarde man met een stok naderbij gewandeld. Hij bleef bij me staan om een praatje aan te knopen. Ik kende hem niet. Hij bleek de tachtig te zijn gepasseerd en had zijn hele leven in Beilen gewoond. In zijn jeugd was de omgeving van Holthe zijn favoriete speelterrein. Hij had Harm Moet en zijn woonwagen nog gekend, maar zijn herinneringen waren vaag en wierpen geen nieuw licht op het leven van deze boeiende kluizenaar.
De oude heer was in zijn nopjes dat hij in het Holtherbosje zonet zowel de boomklever als de boomkruiper had gezien. Kennelijk wist hij aardig wat van vogels. Ik vroeg hem hoe dat in zijn jeugd was, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Zijn ogen begonnen te glanzen terwijl hij met zijn stok naar het oosten wees. ‘Daar lagen graslanden en heidevelden vol vogels. Grutto’s, kieviten, patrijzen en wulpen bij de vleet. We raapten soms hun eieren om ze op te eten. De lucht was gevuld met de zang van leeuweriken. Ik heb er nog korhanen horen bolderen. Dat was voor de ruilverkaveling. Later lag er een perceel kerstbomen van boomkwekerij Daling, die nu niet meer bestaat. Daar zaten zoveel vogeltjes. Ik bleef er in de lente dikwijls een uurtje staan om alleen maar te luisteren naar het vogelkoor. Geelgorzen zaten er veel, puttertjes, kneutjes en zangertjes waarvan ik de naam niet ken. Maar ze zongen, en dat was het voornaamste. ’
Ik keek langs zijn stok in oostelijke richting. Nu ligt er een uitgestrekte vlakte met zwaar bemeste akkers met lelies, maïs en aardappels, naast raaigrasvelden die om de week gemaaid worden voor koeien die altijd op stal staan. Een paar jaar geleden broedden er nog wat kieviten. Nu heeft elke boerenlandvogel hier de moed opgegeven. Zelfs het bosje van Daling is weg. Alleen in de struiken langs de zandweg door de velden broeden nog wat zangvogels, zoals een enkele grasmus en een paar geelgorzen.
En, zo vroeg ik me af nadat de wandelaar zijn weg had vervolgd, welke knul zou nu nog de tijd nemen om een uur naar vogels te luisteren?

2021-04-13, lelieveld
Het huidige landschap achter de Hoge Wei met een uitgestrekte lelieakker

10 april 2021. Natuurwerkdag
Vandaag stond eigenlijk de Zwamdag op het programma, de jaarlijkse bijeenkomst met voordrachten van de Paddenstoelen Werkgroep Drenthe in mijn werkruimte. Die happening kon niet doorgaan vanwege de coronabeperkingen, maar in plaats daarvan waren mensen welkom om te assisteren bij het verwijderen van boomopslag op het Bevrijde Land. Ik kan daarbij wel wat hulp gebruiken.
Al direct na de graafwerkzaamheden in 1990 kiemden jonge bomen op de kale grond als haren op een hond, vooral berken en wilgen. Er groeien er nog altijd vele duizenden. Door begrazing met heideschapen en geregeld maaien wordt het opgroeien van deze boompjes onderdrukt, want ik wil het landschap van het Bevrijde land graag open houden. Er heeft zich inmiddels een prachtige, soortenrijk schraal grasland ontwikkeld dat door bosvorming verloren zal gaan.
Door maaien en grazen blijven de boompjes klein, maar de meeste sterven niet af. Ondergronds groeien de wortels wel door, zodat de zomerscheuten ieder jaar langer worden. Sommige stukken van het terrein lijken nu op jong bos en dat is niet de bedoeling. Daarom ben ik sinds vorig jaar zomer begonnen om de opslag stelselmatig met wortel en tak te verwijderen.
Met een kwartet stoere mannen hebben we het heuveltje bij de leemkuil vandaag van boomopslag ontdaan, een oppervlakte van ongeveer tachtig vierkante meter. Het gebied waar jonge bomen weg moeten, is ongeveer honderd keer zo groot. Dus nog wel wat werk voor de boeg….

HTF, 2021-04-10, Christine, Joop Verburg en Eef steken boompjes in Schepping, foto G. de Vries-1 - kopie
Joop en Eef aan het boompjes steken (foto Geert de Vries)

8 april 2021. Appelhoentjes
Gewoonlijk heb ik rond deze tijd het bijvoeren van tuinvogels wel gestaakt, maar de voertafel achter het huis staat er na de warme dagen nog. Bij de huidige koudegolf kunnen vogels een extraatje goed gebruiken. Behalve gemengd zaad met zonnepitten leg ik ook elke dag een paar appeltjes neer, speciaal voor de merels die daar gek op zijn. In de kelderkast staat nog steeds een doos met appeltjes, geplukt in de vorige herfst op het erf van Christine. Ze zijn na zoveel maanden gerimpeld en vertonen her en der een rot plekje, maar daar malen de merels niet om.
Eergisteren verscheen er onverwacht een andere appelliefhebber ten tonele: een waterhoentje. Vandaag zijn ze met z’n tweetjes. Ze pikken driftig in de appels en werken ze veel sneller naar binnen dan merels. Natuurlijk ken ik waterhoentjes uit stadsparken met vijvers, waar ze ’s winters zij aan zij met een meute halftamme eenden een broodkorstje meepikken. Dat ze ook appels lustten, wist ik niet.
Het is nu geen winter meer, maar het begin van de broedtijd. Dan veranderen waterhoentjes in schuwe vogels met een verborgen leefwijze die zich voortreffelijk tussen een paar oeverplanten weten te verbergen. Ze hebben vorig jaar voor het eerst ergens in Schepping gebroed, maar ik heb slechts enkele malen een glimp van ze opgevangen, één keer met twee kuikens. Dat ze nu vlakbij het huis dagelijks hun appeltjes komen eten, wijst er wel op dat ze zo dol zijn op appeltjes. Ongeveer zoals hippies op een joint.

2021-04-07, Waterhoen
Een waterhoen en een merel doen zich tegoed aan oude appels

6 april 2021. Het kan verkeren

2021-04-06

Een week geleden liep ik nog bij zomerse temperaturen in mijn blote bast boompjes te steken op Tao. Nu is het amper vier graden en jaagt de noordenwind dikke sneeuwvlokken rondom het huis. De narcissen buigen diep en de viooltjes kijken nog verbaasder dan anders.
Net wat je zegt. April doet wat ie wil.

2021-04-06-1 2021-04-06-2

1 april 2021. Uilen bij de vleet
Aan de maartse zomer komt binnenkort een eind, zeggen ze van het KNMI. Daarom heb ik, nu het nog zacht weer is, gisterenavond twee lichtvallen op het land neer om te zien welke nachtvlinders hier zo vroeg in het jaar rondfladderen. Bij de inspectie van vandaag blijken dat er heel wat te zijn. Er zaten maar liefst 654 vlinders in de kisten. Dat is waarschijnlijk het hoogste aantal van dit jaar, want zelfs in hoogzomer tel ik zelden meer dan 500 vlinders. Het hoge aantal is vooral te danken aan één soort, de Kleine voorjaarsuil, die begin april vaak zeer talrijk is. In de twee vallen zitten vandaag 488 exemplaren van deze bruine, wat saaie, onopvallend getekende uil. Dat is driekwart van alle vlinders. Voor hun voedsel zijn ze nu aangewezen op wilgenkatjes. De rupsen van de Kleine voorjaarsuil leven van bladeren van eiken en andere loofbomen. Ze moeten uiteraard ook erg algemeen zijn. Toch hoor ik nooit over plagen, veroorzaakt door deze rupsen.

2021-04-01,Kleine voorjaarsuil, 2008-3-30, Holthe, buitenlicht-2 - kopie-2
Drie Kleine voorjaarsuilen 

In de vangkisten zit ook één Roesje. Deze spinneruil is in Nederland wijd verbreid, maar hij vliegt nooit in grote aantallen rond en wordt zelden  door licht aangetrokken. Het is een heel karakteristieke en fraaie nachtvlinder met een gestroomlijnd model in alle tinten tussen oranje en roodbruin, diep gekartelde voorvleugels en een frivole kuif op het borststuk. Het Roesje overwintert als vlinder, vaak op vochtige, koele plaatsen binnenshuis en in schuren. Dan wordt hij ook het meest gezien; de hoogste waarnemingspiek ligt landelijk in januari en februari. Opmerkelijk voor een vlinder. In maart worden de overwinteraars weer actief met een maximum in april. Zij leggen eitjes en de rupsen uit die generatie zorgen voor een volgende vlinderpiek ligt in juli.

2021-04-01, Roesje
Roesje in de lichtval

31 maart 2021. Maartse zomer
Een zomerse dag in maart! In Noord-Limburg werd met 26,1 graden zelfs het nationale maartse warmterecord gebroken. Hier moeten we het doen met ‘slechts’ 23 graden. Ook de dagen hiervoor waren zonovergoten en warm en dat is aanleiding voor de start van de grote lenteshow. Smaakmakers zijn bomen en struiken die hun sobere, kale winterskelet bekleden met fris groen. Voorop meidoorn en hondsroos, met hazelaar en vogelkers in hun kielzog. Tussen het prille groen zingen de eerste tjiftjaffen een aarzelend deuntje, onwennig bijna.
Het uitlopen van de bomen is een jaarlijks terugkerend festijn, een toonbeeld van waarachtige vergroening. Duurzaam. Eeuwig. Compleet gebaseerd op de vrijwel oneindige energie van de zon. Heel wat anders dan de Rabobank of D66 ons als ‘vergroening’ en ‘duurzaamheid’ voorspiegelen. Dat zijn vooral windmolens, zonnepanelen en bio-energiecentrales. Vergrijzing en verloedering van het landschap in plaats van vergroening. Menselijke constructies voor een paar jaren om onze hebzucht te kunnen bevredigen.
Duurzaam is anders. De bomen weten dat en ontplooien daarom glimlachend hun knoppen.

blog 03-31

 23 maart 2021. Noordwaarts

Hoog, hoog, hoog
Boven mijn hoofd
Een vlucht ganzen
Voorlangs grijze wolkensluiers
Vluchten zij noordwaarts
Voor de nakende lente
Joelend, juichend
Naar de eindeloze toendra
De vrijheid tegemoet.

blog 3-23

20 maart 2021. Keukenhofje
Vanochtend schijnt om 10.23 uur de lente te zijn begonnen omdat de zon dan precies boven de evenaar staat. Ik heb het niet zelf uitgerekend en kan het niet aan de zon vragen, want die was in de wolken. Het voelt nog niet echt als lente, want het weer blijft saai, kil en grijs, maar de natuur lijkt zich er niet zoveel van aan te trekken. Bolgewasjes steken overal de kop op en geven na de winterrust volop kleur aan Schepping. De sneeuwklokjes en boerenkrokussen zijn alweer uitgebloeid en de lenteklokjes zijn ook al op hun retour.

IMG_7845 - kopie

Boerenkrokus

Het is nu de beurt aan de wilde narcissen die volop in bloei staan. Met vele duizenden verlichten ze de omgeving van het huis, de bosjes van het Vaderland en het berkenlaantje. Wat een vreugde. En dan te bedenken dat ik ooit met 50 bolletjes ben begonnen.
Door de gele zee van narcissen zou je bijna de minder opvallende bolgewasjes over het hoofd zien, zoals de Vroege sterhyacint. Daarvan heb ik een jaar of veertig geleden een paar bolletjes meegenomen uit een bos in de Jura. Ook dat is een succesverhaal, al zijn ze lang niet zo talrijk als de wilde narcis. Dan heb je ook nog Maagdenpalm, Gevlekt longkruid, Maarts viooltje en Bosanemoon. Het is duidelijk: de lente is echt begonnen. Nu graag nog wat zonnestralen.
Zo blijft er altijd wat te wensen over, zelfs als het paradijs zich in voorjaarspracht hult. Verwende snotblaag!

VAD, 2019-03-17, noordelijke bossingel met wilde narcis-3 - kopie

14 maart 2021. Stormschade
De rust in de atmosfeer is weergekeerd na twee dagen met westerstorm en zware windstoten die de berken zo diep deden doorbuigen dat ik me grote zorgen maakte over een goede afloop. Tijd voor een inspectieronde over het land. Dat viel me niet mee. Drie flinke vogelkersen, vier berken en een stel ratelpopulieren zijn door de wind ontworteld of geknakt. Gelukkig zijn er geen solitaire, beeldbepalende bomen bij. De meeste stormslachtoffers hangen nu schuin in de armen van andere bomen.  Daar kunnen de meeste wel lamlendig blijven hangen totdat hun takken vergaan zijn of een nieuwe storm ze uit de toppen blaast. Nu vormen ze een aanwinst. De jonge bosstrook langs het Vaderland ziet er nu al uit als een wildernis met al die schots en scheef hangende bomen.
Twee zware vogelkersen stonden aan de bosrand en liggen nu uitgevloerd in het grasland. Daar is werk aan de winkel.

2021-03-13

9 maart 2021. Een echo van Moet
Op de voertafel zitten voor het eerst gelijktijdig twee paar appelvinken, zoals gewoonlijk met hun enorme snavels chagrijnig uithalend naar andere vogels die een graantje willen meepikken. Ze nemen al snel de hele tafel in beslag. Onderling zijn ze ook doorlopend aan het ruziën. Ik vrees dat dit op een burenruzie, vechtscheiding en/of partnerruil uitloopt. Er hangen ook vier staartmezen aan de vetbollen. Dat zijn schattige pluisbolletjes die liefjes tjurren en af en toe elkaar kusjes geven. Ach ja, vogels zijn net mensen. Die heb je ook in soorten en maten en keuren van humeuren….
Het is druilerig weer. De schapen staan de hele dag te blèren om jong groen gras, maar dat is er nog niet in de wide. Ze moeten het doen met het ruige hooi dat Harry Gilles van Het Drentse Landschap me onlangs heeft gebracht, want ik was door mijn eigen grasoogst heen. Het hooi knispert en ruikt heerlijk aromatisch maar toch eten ze het maar mondjesmaat. Vervelend voor jullie, maar niets aan te doen, verwende krengetjes.
’s Middags klaart het op en ga ik met de auto wat blokken hout ophalen op het landje van Moet. Daar is vorig jaar helaas een flinke kersenboom omgewaaid, maar de mootjes daarvan zijn goed voedsel voor mijn houtkachel. Elk nadeel hep zijn voordeel, niet waar?
Ik kom niet zo vaak op het landje van Moet, de achteraf gelegen zandkop waar Harm Moet in de jaren vijftig in een woonwagen leefde. Maar als ik er ben, word ik voorbij de verwilderde meidoornheg en vervallen elzen altijd getroffen door de rustige, haast gewijde sfeer die hier heerst onder de oude eiken en verwaarloosde fruitbomen. Vandaag wordt dat gevoel nog versterkt door de rauwe roep van een raaf, ergens uit de nevels. Een oerklank, echo uit een ver verleden.
De raaf zit in de top van de hoogste berk en op mijn nadering vliegt hij weg op bolle wieken, onverwacht zachtjes krassend. Ongetwijfeld een eerbetoon aan de vroegere bewoner van deze magische plek. Of de echo van Harm Moet zelf.

HOL-BOSJE, 2018-03-13, landje van Moed, oude eiken - kopie

Het landje van Harm Moet

25 februari 2021. Ik smeer hem
De heerlijke vervroegde lente loopt op z’n eind. Vandaag is het nog warm en zonnig. Vanavond wordt het bewolkt en krijgen we een zachte nacht, maar darna is het uit met de pret. Een mooie gelegenheid om nog eens op nachtvlinderavontuur te gaan. Dat klinkt voor velen als een bizarre bezigheid in de maand februari, maar nachtvlinders zijn het hele jaar actief en in deze tijd vliegt een tiental gewone soorten die je later in het jaar niet meer ziet. In de zomer zit ik gewoonlijk de halve of hele nacht bij een lichtval met een felle lamp voor een wit laken waarop vlinders neerstrijken. Dat is nu geen aantrekkelijke gedachte, want dan zit ik voor weinig vlinders een paar uur te vernikkelen. Bovendien geldt vanwege corona vanaf 9 uur de avondklok. Ik ben niet te beroerd voor een beetje burgerlijke ongehoorzaamheid, maar een felle lamp opzetten die een kilometer ver zichtbaar is, lijkt me nu te uitdagend voor een bekeuringbeluste boa, al dan niet van het type constrictor. Dus beperk ik me vandaag tot het aanbrengen van een zoete lokstof (smeer) op boomstammen in de omgeving van Hooghalen en Brunstinge voordat het duister invalt.
Iedere nachtvlinderaar heeft zijn eigen recept voor de ideale smeer. Het is bijna als met toverdrank. Mijn mengsel bestaat vandaag uit appelmoes, schenkstroop, geprakte overrijpe bananen, kiwi-jam en bessenlikeur, afgeblust met een scheutje azijn. Dit brouwsel heb ik gisteren al gemaakt zodat het nog lekker een tijdje kan gisten.
Omstreeks half negen ga ik langs de vier plekken om de gesmeerde bomen te controleren Dit betekent dat ik nooit thuis kan zijn voordat de avondklok slaat. Nou ja, ik doe geen virus kwaad terwijl ik in mijn eentje in de auto door het duister ronddool. Met een oogst van vier soorten op stroop een eentje op de autolichten ben ik redelijk content. Veel meer kun je eind februari niet verwachten. Het meest in mijn sas ben ik met de Roodkopwinteruil, een soort die vijf jaar geleden in Drenthe nog vrijwel onbekend was en vandaag op twee plekken te zien was. Hij is aan een snelle opmars bezig vanuit het midden van het land, waar hij al lang vrij gewoon is. Vermoedelijk een gevolg van opwarming van het klimaat, maar kennelijk is de Roodkopwinteruil ook in staat om een flinke vorstperiode te overleven, zoals we net achter de rug hebben.
En dan zijn er nog andere nachtdieren die me soms tijdens het nachtvlinderen verrassen. Vandaag een luid roepende steenuil bij Hooghalen en zowaar een das in de berm van een landbouwweggetje bij Rheeveld, vlakbij in het schijnsel van de koplampen. De eerste keer dat ik dit prachtbeest in Drenthe in levende lijve zie.

blog, 2-25Roodkopwinteruil

21 februari 2021. Dame blanche
Het is al vijf dagen volop lente met overdag temperaturen boven de 15 graden. Toch ligt er in de tuin nog een allerlaatste restje sneeuw tussen de hortensia’s. Bij het sneeuwruimen had ik daar een heuvel van een meter hoog opgeworpen omdat die struiken zo gevoelig zijn voor bevriezing. Nu ligt er nog wat drabberige papsneeuw. Ik kneed er een sneeuwbal van die ik met een fraai boogje overgooi naar Anneleen, mijn zus die me een paar dagen komt helpen bij het lenteklaar maken van de tuin. Ze vangt hem op en zo gaat het koude glazige geval een paar keer tussen ons heen en weer.
‘We zouden nu zelfs een sneeuwpop kunnen maken. Een kleintje.’, roep ik haar toe voor de grap. Anneleen neemt de uitdaging meteen serieus en gaat op zoek naar geschikte ornamenten. Intussen kneed ik op de picknicktafel de sneeuw in de simpele bolle vormen van een traditionele sneeuwpop. Om het ook bij sneeuwpoppen overheersende seksisme te bestrijden, maak ik er een sneeuwvrouwtje van. Anneleen komt aanzetten met een bijgesneden winterpeen en twee druiven als ogen. Voilà. Een dame blanche!
De lentezon doet de dame geen goed. Vroeg in de middag valt ze om en uit elkaar. Wat uiteindelijk rest is een natte plek op de tafel met een beetje modder, een wortel en twee druiven.
Een merkwaardig stilleven. Alle wintersporen uitgewist.

blog 2-20-1 blog 2-20-2 blog 2-20-3

blog 2-20-4 blog 2-20-5
Het korte, koele, vochtige leven van Dame Blanche

16 februari 2021. Een engel in de achtertuin
Ik zit weer achter mijn bureau voor mijn toetsenbord en werp onder het typen af en toe een blik op de voertafel. Ik heb zonet een heel emmertje vogelzaad op en om de tafel gestrooid en het is weer een drukte van belang. Mezen, vinken, kepen en merels krioelen door elkaar. Hoewel de dooi goed is ingevallen, is de dikke sneeuwdeken nog lang niet verdwenen, zodat vogels nog dankbaar gebruik maken van de gedekte dis in de achtertuin.
Plotsklaps is er luid tumult van tetterende merels. Ik kijk op. De vogeltjes laten hun ontbijt in paniek in de steek en schieten alle kanten op in een wirwar van kleurige vleugeltjes. Op de voertafel landt een blauwe kiekendief. Het is een mannetje, zilvergrijs en strak in het verenpak. Hij kijkt me doordringend aan met zijn felgele ogen, zo’n vier meter vanaf mijn raam. Ik houd onwillekeurig mijn adem in, al is dat in dit geval tamelijk zinloos. Wat een prachtvogel! Een heer van stand in vergelijking met de slonzige buizerd van gisteren.
De kiek heeft tijdens zijn zwerftocht over de velden ongetwijfeld de concentratie vogels achter mijn woning opgemerkt en kwam hier even een niet-veganistisch ontbijtje scoren. Hij kijkt vanaf zijn uitkijkpost aandachtig in het rond om te zien of er geen stumperd of halvegare mees is achtergebleven, maar ze zijn hem allemaal te vlug af geweest. Toch bijzonder dat zo’n bewoner van het open veld zo dicht bij bewoning komt in een boomrijke omgeving. De nood moet voor hem wel hoog gestegen zijn.
Ik ben zo verrast dat ik helemaal mijn fototoestel vergeet dat gebruiksklaar op mijn bureau ligt. Pas als hij na een halve minuut opvliegt, denk ik daaraan. Te laat. Het is nu alleen maar een witte schim die op strakke vleugels geruisloos wegvliegt. Het zou zomaar een engel kunnen zijn, een droomvogel, terwijl hij heel prozaïsch vlak langs de waslijn zweeft.

blog 2-16, blauwe kiekBlauwe kiekendief wegvliegend van de voerplank in de achtertuin

14 februari 2021. Nostalgie
Het KNMI is stellig: het is vandaag voorlopig de laatste winterdag. Morgen valt de dooi in en, sterker nog, binnenkort mogen we snuffelen aan de lente. Aanleiding voor Christine en mij om een uitstapje te maken naar het rivierengebied om het witte winterlandschap nog één keer volop te ervaren.
De ondergelopen uiterwaarden van het Zwarte Water tussen Zwartsluis en Hasselt overtreffen onze verwachtingen. Besneeuwde graslanden met duizenden ganzen, dichtgevroren strangen, gele rietkragen langs witte sloten en plassen, het silhouet van een stadje met een kerktoren, scherp afgetekend tegen de bleekblauwe lucht, een paar verdwaalde schaatsers in een wijds rivierenlandschap. Verstilde pracht, prachtige verstilling.

blog 2-14 (3)

blog 2-14 (2)

Ook de IJsseluiterwaarden bij het rustieke Wilsum zien er vanaf de winterdijk wondermooi uit, de bevroren uiterwaarden schitterend in de lage namiddagzon, honderd zwanen in een donker wak, uitgespaard in de witte oneindigheid. Morgen is dat alles definitief voorbij.

blog 2-14 (4)

blog 2-14

Het is voor ons allebei een uitje met een hoog ‘weet-je-nog-wel-oudje’ gehalte. We halen herinneringen op aan de winters van vroeger. Bijvoorbeeld de winter van 1963 toen men met een auto het IJsselmeer kon oversteken en ik als jochie in de paar wakken in de Kromme Rijn in Utrecht vrijwel alle eenden van nabij kon bewonderen; prachtbeesten als de grote zaagbek, nonnetjes en brilduikers. Of de winter van 1979 toen in Drenthe een paar dagen geen verkeer mogelijk was doordat vrijwel alle wegen versperd waren door sneeuwduinen tot drie meter hoog. Ik moest toen door een raam naar buiten kruipen, want aan de westkant van het huis lag de sneeuw tot boven de dakgoot, ook op de plek waar je de voordeur kon vermoeden. Dat waren nog eens tijden….
Het drukt ons allebei op het geruisloze, maar onbarmhartige verglijden van de tijd. We mogen ons nog aardig jong voelen, onze herinneringen brengen een andere boodschap. Weet je nog wel, oudje….. 

12 februari 2021. Kepen
Een schitterende winterdag, stralend blauw, zonovergoten, windstil. Rond het vriespunt, maar ik kan rustig naar buiten zonder jas over mijn dikke trui. In de kas is het aangenaam toeven.
Zo gauw ik mijn hoofd buiten de huisdeur steek, blaten zes schaapjes me toe. Gewoonlijk zwerven ze wat over het land, op zoek naar de laatste malse grasjes, maar nu er een pak sneeuw ligt, staan ze voortdurend in de stal, in afwachting van mijn komst. Geef ze eens ongelijk. Voor brokjes en hooi zijn ze immers van mij afhankelijk. Ik heb zes oude pannetjes neergezet, waarin ik schapenkorrels gooi, zodat ze allemaal aan hun trekken kunnen komen. Desalniettemin ontaardt dit ritueel altijd in een chaotisch gekrioel van wollige lijven. Zoals het gras altijd groener is aan de andere kant van het hek, zo zijn brokjes altijd lekkerder uit andermans pannetje. Met als gevolg een wilde pannetjesdans, waarbij de twee vroege lammetjes verbaasd toekijken tot ze zowat onder de voet worden gelopen door hun kuddegenoten.
Terug lopend van de schapen valt me op hoe stil het is. Het enige geluid is de verre voorjaarsroffel van een specht, die de grandioze stilte nog accentueert.
De vogels zijn dankbaar voor het voer op de tafel achter het huis en op de grond daaromheen. Alle twaalf merels uit de buurt verzamelen zich rond de appels die ik voor ze heb neergelegd. Ze eten ook dankbaar van overjarige aalbessenjam. Het groepje kepen is gegroeid van vier eergisteren tot veertig nu. Er zitten zowat even veel geelgorzen op het strooivoer en een stuk of tien vinken. Opvallende afwezigen zijn nog steeds huis- en ringmussen. Een pimpelmees bewaakt de pot met vogelpindakaas, die ik zonet aan een linde bevestigd heb, alsof het zijn persoonlijk eigendom is. De veel grotere koolmezen nemen de wijk voor zijn venijnige uitvallen als ze in de buurt komen. Maar tegen een grote bonte specht heeft het pimpeltje weinig in te brengen.

blog 2-16, kepen voertafel
Kepen, geelgorzen, een vink en een koolmees op strooivoer in de achtertuin

9 februari 2021. Poedersneeuw
De lage grijsheid is doorbroken. Het sneeuwt niet meer en de wind is afgezwakt. Af en toe piept de zon door wattige wolken heen en verdeelt de sneeuw in licht en schaduw, verblinding en ingetogenheid. Het is dik onder nul, maar het voelt buiten veel minder koud aan. Lekker eigenlijk. Wat went een lichaam toch snel aan veranderende omstandigheden. Er valt nog heel wat sneeuw te ruimen. Voordat ik boodschappen kan halen, moet de oprit naar de weg worden vrijgemaakt. Daar heeft de wind de sneeuw bijeen geveegd tot een vage heuvel van zo’n halve meter dikte.

blog 2-9Opeens krijg ik de impuls om een sneeuwpop te maken. Dat heb ik minstens een halve eeuw geleden voor het laatst gedaan. Zo’n echte ouderwetse dikke, witte meneer zonder benen met een hoed op, een das om zijn nek en een wortel als neus. Over de ogen moet ik nog even nadenken, want de steenkooltjes die daarvoor vroeger in zwang waren, zijn nu niet meer voorhanden. Mijn zorgen daarover blijken voorbarig, want deze poedersneeuw pakt helemaal niet. Zelfs een sneeuwbal kneden lukt me niet. De stuifsneeuw is veel te fijn en hangt als los zand aan elkaar.
Tegen het einde van mijn veegklus hoor ik opeens een oerklank waardoor de haren in mijn nek overeind gaan staan. Een diepe, sonore, trompetterende roep, naderend vanuit het oosten. Kraanvogels! De beukenhaag belemmert mijn uitzicht, maar als ik me naar het hekje haast, zie ik ze in de verte. Vijf van die machtige vogels vliegen met trage vleugelslag westwaarts. Krrroeoeoeoeh!
Mijn dag kan niet meer stuk.

blog 2-9, Kraanvogels

8 februari 2021. Lenteliedje in de sneeuw
Het kost moeite om de buitendeur een eindje te openen, want er ligt een sneeuwduintje aan de westkant van het huis.  De atmosfeer is tot rust gekomen, de wind afgezwakt, alle water stijf bevroren. De Azuren Zomp is tot stilstand gekomen met een roestkleurig netpatroon op het ijs, op mysterieuze wijze gevormd door  Saharazand dat de afgelopen dagen meegevoerd werd door de wind.

blog 2-8, Azuren zomp

Nog steeds vallen minieme sneeuwvlokjes uit een egaal wolkendek. Ze hebben geen grip op de bomen want die staan gewoon met kale zwarte takken zichzelf te zijn. De stuifsneeuw blijft niet liggen op takken of kleven aan stammen.
Tijd om de sneeuwschep ter hand te nemen om de belangrijkste paden rondom het huis te kuisen.Tijdens de arbeid wordt ik verrast door zachte, melodieuze roepjes van een paar vogels, ergens boven mij. Lieflijke klanken die herinneringen oproepen aan warme voorjaarsdagen op de heide en in het geheel niet passen in deze  verkilde wereld. Ze strijken naar op een lage tak in de eik van de buren, zes vogeltjes, klein, bruin en gedrongen. Geen idee wat het zijn. Het lijkt wel of ze een klein kuifje op de kop hebben, maar het is te ver weg om de details goed te zien. Vanuit de eik dwarrelen ze een voor een neer op de braakliggende akker, waar sommige richels zijn schoon geblazen door de wind. Wellicht dat daar nog wat zaadjes voor ze te vinden zijn.
Een kijker biedt uitkomst. Het zijn boomleeuweriken. Het is gebruikelijk dat ze vanaf half februari uit zuidelijker streken terugkeren naar hun broedgebieden, maar deze zijn wat te vroeg. Vanwege de kou hebben ze al hun veertjes opgezet. Ik hoop dat ze deze barre omstandigheden overleven, want ik ben een grote fan van de boomleeuwerik. Er is weinig dat zoveel geluk verschaft als de ingetogen, melancholische zang van een boomleeuwerik die wijde cirkels beschrijft boven de heide op een stralende ochtend in april.
Zo ver is het nog lang niet.

blog 2-8, boomleeuwerikBoomleeuwerik op de akker tegenover Schepping

7 februari 2021. Code rood
Vannacht heeft zich het winterwonder dan toch voltrokken. De wereld is toegedekt met een deken van sneeuw die alle vormen en tinten van kruiden en aarde heeft uitgewist. Alleen de bomen en struiken strekken onveranderd hun kale takken naar de hemel, doorbuigend onder de straffe wind die nog steeds uit het oosten waait. Het sneeuwt nog altijd, al valt het niet erg op; fijne vlokjes motsneeuw, door de wind voortgejaagd tot ze ergens neerstrijken in de luwte. Bij vlagen worden ze weer opgetild in wervelingen die op de rook van een houtvuur lijken. Er ligt nu gemiddeld zo’n decimeter sneeuw, maar op weg naar de schapen zak ik tot over de randen van mijn laarzen weg in een berg rulle poedersuiker die zich achter het muurtje van de Esdoornheuvel heeft opgehoopt.
Zulke sneeuwduintjes kunnen ook ontstaan ook op allerlei wegen en zelfs brede snelwegen zijn daar niet immuun voor. Vandaar dat het KNMI code rood heeft afgekondigd. Vandaag kun je maar beter thuis blijven. Het komt goed uit dat het zondag is.

blog 2-7 (2)De kleine Lelievijver achter het huis is al dichtgevroren met een mengsel van water en sneeuw. Bros fondantijs, roestgeel besuikerd door Saharazand dat via een lange omweg met de oostenwind is meegesleurd. Maar het Kristalmeer is nog open water, constant in beweging, rimpelend en golvend, opgeschud door de snijdende bries uit het noordoosten. Waar de toppen van de golfjes kortstondig grassprieten of takjes beroeren, bevriest wat water in korte tijd. Daardoor vormen zich op den duur vliesdunne, tere ijsschaaltjes rondom de halmen aan de oever. Als een rimpeling zo’n schaaltje zachtjes raakt, hoor ik een subtiel getinkel, als van een zilveren belletje. Zo luister ik vanmiddag in de sneeuwjacht naar het meest subtiele concert dat ik ooit heb gehoord.
Koning winter is niet alleen meedogenloos, maar kent ook tederheid.

blog 2-7

6 februari 2021. Sneeuwlucht
Rond het vriespunt, maar het voelt veel kouder aan. Een snijdende oostenwind giert door heen en weer zwiepende berkentwijgen. Weer zo’n sombere, saaie winterdag met lage wolken, die tegen het einde van de middag steeds donkerder worden. Het ziet er dreigend uit, maar net anders dan bij een nadere onweersbui. Deze avondwolken zijn wattiger, wateriger, egaal uitgesmeerd over de hele lucht. Het meest opvallend is de blauwig grijze kleur, alsof ze rechtstreeks opstijgen uit de oceaan. Sneeuw op komst!
Voor de zekerheid haal ik de laatste snijbiet van het land. Het levert nog een heerlijk stamppotje op in combinatie met uitgebakken biologische spekblokjes.

blog 2-6

4 februari 2021. Toch nog winter?
Heel het land is in rep en roer. Het gerucht gaat dat Koning Winter in aantocht is, met in zijn gevolg een dik pak sneeuw en diepvrieskou. Lang geleden dat zijne hoogheid hier op bezoek kwam. Voor de zekerheid breng ik alvast extra haardhout naar binnen, want er gaat niets boven een warme houtkachel wanneer het buiten vriest dat het kraakt.

31 januari 2021. Waar zijn de mussen gebleven?
Dit weekend is de nationale tuinvogeltelling, waaraan ik al een jaar of tien meedoe. Een half uurtje de vogels turven in de directe omgeving van mijn huis. Vogels in de bosjes verderop en op de plassen tel ik niet mee, want dat kun je geen tuin meer noemen.
De meeste vogeltjes zitten op het strooivoer dat ik de hele winter dagelijks uitstrooi op twee voedertafels en op de aarde daaromheen. Vinken en geelgorzen pikken het liefst zaadjes op van de grond, maar mezen hebben een voorkeur voor de tafel. Merels en gaaien maakt het weinig uit. Ik heb dit jaar tot de laatste dag van de telling gewacht omdat het vandaag veel kouder is dan gisteren en eergisteren. Dan kiezen meer vogels voor een gemakkelijke snack in een tuin dan bij een gematigde temperatuur. En een hoge score wil natuurlijk iedereen. De verwachting kwam uit. Gisteren zaten er maximaal 4 geelgorzen tegelijk op het strooivoer; vandaag waren dat er 19. Een nieuw record voor mijn erf!


Geelgorzen op strooivoer, 31 januari 2021.

Wat echter veel meer opvalt, is de afwezigheid van mussen. Dat is niet alleen vandaag zo. De hele winter heb ik nog geen enkele huismus of ringmus rond het huis gezien. Dat was vroeger wel anders. Het telformulier van 2013 meldt 45 ringmussen en 4 huismussen. In 2019 waren 25 ringmussen van de partij, in 2020 nog 8. In veel streken is de ringmus al eerder schrikbarend afgenomen. Nu is deze omgeving kennelijk aan de beurt.
Ik mis ze, de kleine druktemakers met hun chocoladebruine petje die zo gezellig op een kluitje de voertafel vulden.

Ringmussen op de voerplank, januari 2013

30 januari 2021. Flinterdun

Is dit moderne kunst? Een ets van een bekende meester?
Nee, het is  water en lucht. Water in de vorm van een flinterdun laagje ijs op het beekje dat door het Bevrijde Land kronkelt. Lucht in de vorm van luchtbellen en kanaaltjes die onder het ijs opgesloten zijn, kwikzilverig glanzend door het opvallende licht.
Opnieuw is de winterfee langsgekomen met haar toverstaf.

16 januari 2021. Rondedans van de winterfee
Vroeger regeerde Koning Winter af en toe met strenge hand. Weken lang ijspret, sneeuwduinen die de weg versperden, bevroren vingertoppen op de fiets onderweg naar school, zaagbekken in een wak midden in de stad, en als kroon op ’s konings werk de elfstedentocht. Sinds het klimaat op hol is geslagen, en naar het zich laat aanzien de mensheid tegelijkertijd, is de winter aan het kwakkelen geraakt. Af en toe deelt hij een speldenprikje uit, zoals de weerman dat noemt: een nachtje vorst, een flinterdun ijslaagje, wat poedersuikersneeuw of ijzel. Dat is het zo’n beetje. Niet koninklijk en krachtig winters, met een ijzige greep op al wat leeft, maar ingetogen, teder bijna.
Vannacht is de winterfee op bezoek geweest en ze heeft het Kristalmeer met haar toverstaf beroerd. ’s Ochtends was het rimpelende water verstard in een dunne laag blauwgrijs ijs, afgedekt met een laagje poedersneeuw. Toen ik ’s middags weer kwam kijken, was de winterfee kennelijk weer langs gekomen. In de sneeuw waren met vaardige hand grijze cirkels uitgesneden, groot en klein, donker en licht, alleen of met elkaar verbonden.

Het Kristalmeer is dertig jaar geleden gegraven. Sindsdien zijn twee keer eerder zulke ijscirkels ontstaan. Ze doen me denken aan de titel van een geologieboek dat ik als biologiestudent als studiemateriaal kreeg aangereikt: ‘Geheimschrift der Aarde’. Alsof er in de patronen op het ijs een mythische boodschap verborgen ligt, alleen te ontcijferen door ingewijden. Dat is natuurlijk ook zo. Het is de eeuwige boodschap van verandering en vergankelijkheid, van verrassing en verwondering, van schoonheid en puurheid.
Je kunt er ook nuchter naar kijken. Dat deden de auteurs van mijn geologieboek eveneens. Hun doel was om voor studenten het geheimschrift van de Aarde te ontrafelen beschreven en daar slaagden ze heel aardig in. Ook het ontstaan van het sneeuwpatroon op het Kristalmeer is te verklaren. De bodem van de plas bestaat uit een dikke laag keileem, in feite een hutspot van compacte brokken klei, lichtere leemfracties, zand en keien. Op de meeste plaatsen is die leemlaag behoorlijk waterdicht, maar op sommige plaatsen zitten er lekken. Daardoor welt grondwater naar boven, dat iets warmer is dan het water in de plas. Zo ontstaat een miniem wakje in het ijs, waardoor het kwelwater naar buiten treedt zodat de omringende sneeuw smelt. Op de foto’s is dat te zien als een licht plekje in het centrum van de cirkels.  Het is een delicaat evenwicht. Bij iets lagere temperaturen vriezen ook de wakjes dicht. En bij iets meer dooi verdwijnt alle sneeuw, en daarmee het geheimschrift van de winterfee.

10 januari. Nachtelijk bezoek
Omstreeks middernacht zit ik nog hard te werken aan mijn Alternatieve Bossenstrategie. Het bureau met mijn computer erop staat voor een groot raam in de achterkamer waarvandaan ik een mooi uitzicht heb over de tuin en de schapenweide. Van uitzicht is nu overigens geen sprake, want het is aardedonker.
Af en toe tikt er iets zachtjes tegen het raam. Een takje of zo. Als ik uiteindelijk opkijk, zie ik echter dat de veroorzaker een vrij forse vlinder is die tegen het raam stuitert. Hij komt kennelijk af op het heldere licht van mijn bureaulamp. Het gebeurt ’s zomers wel vaker dat nachtvlinders op deze lichtbron afkomen, maar in deze tijd van het jaar is dat toch uitzonderlijk. Ik haast me dan ook naar buiten met een jampotje en een zaklantaarn om dit heterdaadje te verschalken.
De vlinder schiet razendsnel van de ene hoek van het raam naar de andere en lijkt soms in het duister te verdwijnen. Maar het lukt me uiteindekijk om hem te vangen. Het is een mannetje van de Zwartvlekwinteruil, gemakkelijk te herkennen aan de grillig gevormde zwarte vlek op de bruine vleugels. Zijn naam zegt het al: het is een soort die als vlinder overwintert. Nu zijn er meer nachtvlinders die dat doen, maar meestal trekken ze zich in de koudste maanden terug in een donker hoekje om in winterrust de eerste lentedagen af te wachten. Zo niet de Zwartvlekwinteruil die de hele winter door actief kan zijn.
De buitenthermometer wees zonet 1 graad boven nul aan. Ik vraag me af waar zo’n koudbloedig insect de energie vandaan haalt om driftig door de nacht te vliegen bij temperaturen rond het vriespunt. Veel te eten is er niet. Bloemen met nectar wachten wijselijk op betere tijden. Volgens de boekjes doet de Zwartvlekwinteruil zich ook wel tegoed aan rottend fruit en sap van bloedende bomen. Dat is nu misschien nog wel te vinden.
En waarom maakt hij zich eigenlijk zo druk? Zouden er zelfs in deze tijd vrouwtjes te vinden zijn die bereid zijn tot een onderkoelde vrijpartij?
Tien jaar geleden zou ik trouwens een gat in de lucht gesprongen zijn bij het zien van een Zwartvlekwinteruil. In 2006 gold deze nachtvlinder in ons land nog als een zeldzame soort die vrijwel alleen ten zuiden van de grote rivieren voorkwam. Hij heeft zich in tien jaar noordwaarts uitgebreid en is nu overal algemeen, ook in Drenthe. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de veel zachtere winters in de laatste jaren. Daar heeft zo’n winteractieveling natuurlijk voordeel bij.

4 januari 2020. Een bijzonder fijn mosje
Ik schrijf eigenlijk vrijwel nooit iets over mossen, hoewel deze prachtige miniatuurplantjes in Schepping goed vertegenwoordigd zijn en een opvallende plaats innemen in de vegetatie. Het is jammer, maar ik kan nu eenmaal niet aan alle planten en dieren even veel aandacht besteden. Maar vandaag viel mijn oog op een mos dat groeit op de bekalkte keileem aan de zuidzijde van de heuvel Tao. Het was slechts een kleine plek van sierlijke, liggende stengels met geelgroene blaadjes tussen andere, algemene mossen. Het mos viel op doordat de stengels regelmatig dubbel geveerd waren. Dat hebben niet veel soorten. Het was een thujamos, maar welk? Het leek veel teerder en lichter groen dan het Gewoon thujamos dat in Drenthe in allerlei naaldbossen op zure grond groeit. Toch kwam het me vaag bekend voor.
Voor het determineren van thujamossen is een microscoop onontbeerlijk. Vanwege mijn paddenstoelenstudie staat die altijd paraat en het prachtige cellenpatroon in de toppen van de blaadjes wees spoedig uit dat het ging om Zweepthujamos. Dat wordt zo genoemd vanwege de lange, smalle, spitse top van de takblaadjes. Ook de standplaats klopt goed, want Zweepthujamos is kenmerkend voor graslanden op kalkrijke grond. Toen ging me een licht op. Ik had dit mos een halve eeuw geleden een paar keer gezien bij onderzoek van kalkgraslandjes tijdens een kamp van de Katholieke Jeugdorganisatie voor Natuurstudie – ja dat waren nog eens tijden, compleet met aalmoezenier – , langs de Amblève in Oost-België.
Vervolgens overheerste verwondering. Het bleek dat dit mos vóór 1950 in Nederland vrij algemeen was in Zuid-Limburg en het rivierengebied, met enkele vindplaatsen in de kalkrijke duinen en in leemgroeves. Zweepthujamos is sindsdien sterk afgenomen en vanaf 1990 vrijwel beperkt tot een paar kalkgraslanden in Zuid-Limburg met darbuiten twee plekken, op Goeree en bij Breda. Op de Rode Lijst van mossen in Nederland staat de soort dan ook als bedreigd. En nu staat dat fraaie mos opeens in mijn achtertuin, zo’n 200 kilometer van de dichtstbijzijnde bekende vindplaats!
Hoe het hier gekomen is, zal wel altijd een raadsel blijven. Gezien de kleine omvang van de groeiplaats heeft Zweepthujamos zich pas kort geleden gevestigd en ik heb de laatste jaren niet met planten gesleept. Het mos kan die afstand nooit door de lucht hebben overbrugd omdat het in ons land geen sporenkapsels vormt. Er moet dus toevallig een stengeltje hier beland en aangeslagen zijn. Misschien blijven hangen aan de schoenen van een van de menselijke bezoekers aan Schepping?

31 december 2020. Nieuwjaarswens
Nog wat uren aftellen, een paar oliebollen verder, en het jaar 2020 is voorbij. Definitief bijgezet in de grafkelder van de geschiedenis. Er verandert niets wezenlijks op 1 januari 2021. De zon zal wel weer opgaan en de Aarde draait vast door. Zelfs daar kun je niet helemaal zeker van zijn, maar het is prettig om daar niet dagelijks bij stil te staan. Er is al genoeg om over te twijfelen.
Hoewel de donkere dagen zich dus gewoon aaneenrijgen, drukt de aanstaande jaarwisseling me toch meer dan normaal met mijn neus op het mysterie van tijd die verglijdt in eeuwigheid. De vergankelijkheid van alles en iedereen. Zo is, zo is niet; zo ben je, zo ben je niet. De paar dagen tussen de zonnewende en Nieuwjaar ben ik me meer bewust van continuïteit en tegelijk van het onherroepelijke verleden en het mysterie van een bij voorbaat onherroepelijke toekomst; een mengeling van weemoed en dromen.
In mijn kleine wereld van Schepping was 2020 een prachtig jaar vol bloemen, vogels en vlinders, vol lieve mensen, vol groei van buiten en binnen. Het was voor mij het jaar van de regenbogen. Nooit spanden zich zoveel regenbogen over mijn land als dit jaar. Elke keer ervaar ik de betovering van het moment waarop zonnestralen door de regen heen hemelse schoonheid op loodgrijze wolken projecteren. Vandaar dat mijn nieuwjaarswens geschraagd wordt door een van die regenbogen.
De grote wereld van het tv-journaal was vreemd, grimmig en verder weg dan ooit. De Aarde draaide door en leek doorgedraaid.
Ik gun iedereen zijn geluk in alle kleuren van de regenboog, van binnen en van buiten.


Na regen komt zonneschijn
Een kleurig  nieuw jaar !
Eef Arnolds

27 december 2020. Kerstzwammen
Dat het in deze contreien steeds warmer wordt, heb ik ook dit jaar weer aan den lijve ondervonden. Net geen 40 graden van de zomer, maar wel voor het eerst in augustus een aaneengesloten reeks van acht tropische dagen met maxima boven de 30 graden. Ook in de natuur is de klimaatsverandering steeds duidelijker te zien. Omstreeks 1970 was het paddenstoelenseizoen eind oktober wel zo ongeveer voorbij, terwijl de laatste jaren ook november veel zwammig weer in de aanbieding heeft. En soms is dat nog veel later, zoals dit jaar.
Tijdens het afvoeren van maaisel zag ik gisteren uit mijn ooghoeken nog allerlei paddenstoeltjes. Het talrijkst was het Donsvoetje, maar dat is een behoorlijk winterhard zwammetje dat ook in andere jaren vaak rond Nieuwjaar te zien is. Anders ligt dat voor het Sneeuwzwammetje, waarvan nu zes kakelverse exemplaren langs de lelievijver staan. Het was helaas geen voorbode voor een Witte kerst. Op de composthoop bloeien fraaie Paarse schijnridderzwammen en een dode vlier is behangen met Judasoren in plaats van kerstballen. Ook de vele Gekraagde aardsterren leveren een geslaagde bijdrage aan de kerstsfeer. In het Vaderland staat een eenzame Geschubde inktzwam te wachten tot hij zijn nieuwjaarskaarten kan schrijven.
In totaal telde ik na wat beter zoeken zo’n 40 soorten paddenstoelen, waarbij zelfs eentje die ik nooit eerder in Schepping gezien heb: de Rechte koraalzwam. Weliswaar een paar oude, verkleurde vruchtlichamen, maar nog heel geschikt om in een kerststalletje de kribbe mee te bekleden.

 

Boven: Gekraagde aardster, Echt judasoor,
Onder: Paarse schijnridderzwam en Rechte koraalzwam

18 december 2020. Luchtig gevecht
Het is een prachtige, lenteachtige dag en het buizerdpaar van het dennenbosje aan de noordkant van Schepping hebben al het voorjaar in de kop. Luid miauwend zweven ze door de zachtblauwe hemel. Af en toe maken ze een onverwachte buiteling om te tonen dat ze voor geen kleintje vervaard zijn. Vanachter de bosrand verschijnt een derde buizerd die zich moeiteloos aansluit bij het tweetal. Een toevallige passant? Een concurrent? Het jong van deze zomer? Geen probleem in ieder geval. Moeiteloos danst het drietal verder boven mijn hoofd.
Maar dan wordt de harmonie bruut verstoord. Luid krassend komt een stelletje zwarte kraaien aansnellen, roeiend door de lucht met hun brede vlerken. Ze zijn ook met z’n drieën en storten zich zonder aarzelen op de buizerds die net een maatje groter zijn. Die zijn niet erg onder de indruk. Ze halen hun schouders een beetje op, trekken even een vleugel in, versnellen hun gezweef zodat de kraaien in het niets duiken of maken een koprol in de lucht.  Maar de kraaien blijven volharden in hun kamikaze acties, ook als de roofvogels hoger gaan cirkelen.  Ze waren daarboven net zo lekker aan het mediteren, gedragen door de thermiek. ‘Ga weg gespuis!’, voel ik ze denken.
De buizerds kiezen de weg van de minste weerstand en laten zich op stijve vleugels oostwaarts afdrijven naar de akker, waar het luchtruim nog onbezoedeld is. De kraaien maken onder luid gekras in de lucht een vreugdedansje. Ze hebben gewonnen. Vinden ze.

10 december 2020. Grote schoonmaak
Een grote schoonmaak in huis heeft traditioneel plaats in het vroege voorjaar. Voor de grote schoonmaak op het land zijn november en december de aangewezen maanden. Menigeen denkt dat het voor de landsman tegen die tijd rustig wordt omdat de laatste maaibeurt is geweest en de oogst uit de moestuin langzamerhand wel binnen is. Maar dat is een vergissing, zeker als er veel bomen en struiken groeien, zoals in Schepping. De verdorde bladeren waaien overal naar toe en om te voorkomen dat ze de planten verstikken en de graslanden te voedselrijk worden, moeten zoveel mogelijk bladeren worden verwijderd. Een hele klus, maar gelukkig hoeft ik ze niet meer overal met een hark bijeen te halen en per kruiwagen af te voeren. Mijn zitmaaier zuigt niet alleen gemaaid gras op, maar ook niet te natte, dorre bladeren. Dat scheelt.
Het opschonen van mijn beekje is altijd veel handwerk. De bedding ligt uiteraard wat verdiept in het land en vangt daardoor veel blad op. Dat blijft daar liggen, zodat de doorstroming hapert. Ook de planten vlak langs het beekje moeten worden afgemaaid. Daar ben ik zo twee dagen mee zoet.
Maar het is de moeite waard, want nu klatert het water weer hoorbaar over de stenen. Muziek van het zuiverste water.

 3 december 2020. Koperwiek
Sinds gisteren staat achter mijn huis een afgedankte, lage, ronde salontafel. De tafel is gemaakt van massief eikenhout en loodzwaar, maar door voorzichtig voortrollen is hij op zijn huidige plek terecht gekomen. Niet dat ik een rondetafelconferentie van kabouters verwacht, maar voor het voeren van wintervogels is hij ook heel geschikt. Vanachter mijn bureau heb ik er goed zicht op en af en toe kijk ik op van mijn computerscherm om te zien wat er zo al rondscharrelt. Een appelvink heeft zich alweer laten zien.
Maar nu heb ik een vogel in het vizier die ik al die jaren in Schepping nog niet aan de grond gezien heb. Een koperwiek. Helemaal geen zeldzaamheid, maar wat een prachtig beestje. Een luxe uitvoering van een zanglijster met zijn roomkleurige kopstrepen en roestrode flanken. Hij heeft geen interesse in het vogelzaad op de tafel, maar hipt over de grond. Op de manier van een merel keert hij met zijn snavel vliegensvlug dorre bladeren om, in de hoop daar een lekkere wurm aan te treffen.
Er moeten in de loop der jaren duizenden koperwieken over Schepping gevlogen zijn, want ik heb vaak genoeg hun hoge, dunne trekroep gehoord in heldere, koude novembernachten, wanneer de winter mijn neus kietelde. Onzichtbaar in het duister onderweg vanuit het hoge noorden naar mildere streken voordat de kou in Lapland echt invalt.

1 december 2020. Ondernemende motjes
Ik heb heel wat genachtvlinderd dit jaar. De eerste keer dat ik er met lichtvallen op uit trok was op 17 maart, de laatste keer op 21 oktober. Daarvoor en erna lokte ik de weinige winterse nachtbrakertjes met smeer; een mengsel van appelmoes, stroop en afgedankte alcoholica.
Ik let vooral op de ‘echte nachtvlinders’, de uilen, spanners en pijlstaarten, in de wandeling ‘macro’s genoemd. Maar af en toe neem ik ook een ‘micro’ mee die inde volksmond ‘motjes’, bekend van het liedje van Dorus: “er zaten twee motten in mijn ouwe jas’. Motjes vormen een studieobject op zich, met in ons land zo’n 1200 soorten. Daarvan was er eentje dit jaar opvallend talrijk, het Koolmotje. Het maximum werd voor mij bereikt op 17 juni, toen er zo’n 50 bij de lampen op het Zwiggelterveld zaten.
Het Koolmotje is goed te herkennen aan het gestroomlijnde model, hoog op de voorpoten en met naar voren gerichte sprieten. De vleugels zijn overwegend bruin en wat gespikkeld, maar ze hebben een lichtere rand, van het donkere vlak gescheiden door een wit gegolfd lijntje. De spanwijdte van het beestje is zo’n 12-15 millimeter.
Volgens de boekjes leeft de rups van het Koolmotje aan de onderzijde van bladeren van allerlei kruisbloemigen in een open, gesponnen netwerk van draden. Hij kan schadelijk zijn op gekweekte koolsoorten. In mijn eigen tuin heb ik ze nog nooit gezien. Als ik een week niet kijk, vreten achter mijn rug wel de rupsen van diverse koolwitjes de bladeren op tot slechts de hoofdnerf overblijft. Tot mijn verbazing las ik ook dat het Koolmotje een trekvlinder is die hier niet winterhard is en elk voorjaar vanaf Zuid-Europa noordwaarts zwermt. Nederland is daarbij niet eens het eindstation. In sommige jaren zijn de vlindertjes zelfs talrijk op Spitsbergen. Er is aangetoond dat ze meer 3000 kilometer kunnen afleggen en ze zijn op 100 meter hoogte aangetroffen. Door hun enorme verspreidingsvermogen komen ze op alle continenten voor, behalve Antactica.
Ik stond paf. Ik vind het al een geweldige prestatie dat sommige grote vlinders, zoals de Distelvlinder en Kolibrievlinder grote afstanden afleggen, maar dat zo’n tenger motje daar ook toe in staat is….. Een eervolle vermelding voor het Koolmotje

30 november 2020. OntademdVandaag is een treurige dag. Een diep treurige dag. Vandaag is de laatste dag waarop ik legaal mag winkelen zonder mond-neusmasker voor mijn snufferd.
Nu vormde ik in de Jumbo in Beilen de afgelopen weken toch al een grote uitzondering. Sinds het duo Rutte-De Jonge dringend heeft aanbevolen om binnen gebouwen mondkapjes te dragen, ben ik zowat de enige in de Jumbo zonder muilkorfje. Zo lang het niet moet, doe ik het niet, want ik ervaar het dragen ervan als benauwend en belemmerend. Bovendien heb ik een aangeboren medische handicap, namelijk aan één kant van mijn hoofd een vrij ver afstaande flapoor. Daardoor schiet telkens het elastiekje los, vooral als ik de neiging heb om te lachen. Ligt dat ding weer in de goot.
Veel te lachen in de Jumbo valt er trouwens niet, want de zwerm mondmaskerdragers rondom me maakt een vreugdeloze indruk. Een beetje anoniem, zoals mieren. Met het mondmasker is een groot deel van hun individualiteit verdwenen, vriendelijkheid en chagrijn, de lach en de traan. Mieren hebben nog het voordeel dat ze elkaar bij de mierenhoop veelvuldig begroeten met hun voelsprietjes. De mierenmensjes in de supermarkt lopen in een wijde boog om elkaar heen. Anderhalve meter minimaal, weet je wel.
Als het dan toch moet, dan maar een beetje ludiek. Een schapenmasker van Het Drentse Landschap maakt meteen wat reclame voor een goede zaak. Af en toe blaat ik een beetje voor de lol. Mensen kijken dan verrast op, of verstoord. Dat kan ik niet zien vanwege die maskers. Een jongetje moest enorm lachen toen hij me zag en hoorde, maar het lachen verging hem toen ik een octaaf lager blaatte. Een beetje rammiger, zo  gezegd. Hij verborg hij zich gauw achter deveilige rug van zijn moeder.
Zo ben ik ongevraagd in een surrealistische wereld terecht gekomen waarin het ganse volk gedragsregels krijgt opgedrongen met voornamelijk symbolische betekenis, zoals onze minister-president openhartig en met en zekere trots vermeldt. Zo was het sluiten van musea en bibliotheken volgens deze wijsgeer niet effectief, maar het was ‘nodig om een daad te stellen’. Zelfs volgens corona stafchef Jaap van Dissel heeft het dragen van mondkapjes ‘een buitengewoon klein effect’ op de verspreiding van het corona virus (NOS nieuws 2 oktober 2020). Toch wordt het gewoon verordeneerd. Het is angstaanjagend dat de meeste mensen braaf onaangename maatregelen aanvaarden, waarvan bekend is dat ze niet of nauwelijks zullen helpen. Dat belooft niet veel goeds voor het leven onder een echte dictator.
Ik heb het gevoel dat morgen een van mijn meest fundamentele vrijheden wordt afgenomen: het geboorterecht om onbelemmerd te ademen. Ik voel me door de overheid ontademd.

10 november 2020. Vijftig tinten grijs
Vanochtend lijkt mijn wereld gekrompen. Als ik het keukengordijn open, zijn zelfs de oude eiken aan de overkant van het straatje vervaagd en vergrijsd. Er hangt een dichte mist. Lang geleden dat ik dit heb meegemaakt, minstens een jaar.
Mist verandert de wereld. De gelaagdheid van het landschap wordt zichtbaarder, bijna tastbaar als ik aan de oever van het Kristalmeer sta. Het eilandje in het midden drijft donker in de roerloze plas, de contouren van Tao en zijn linde zijn vervaagd en de bosrand daarachter is slechts een vermoeden. Het plafond van de hemel is verlaagd en alle kleuren zijn verschoten tot vijftig tinten grijs. Geluiden klinken verder weg dan anders en omfloerst, alsof ze eveneens verschoten zijn. Mijn zintuigen worden uit elkaar gespeeld. Ik hoor luid gejoel, vleugelgedruis. Het moet een grote groep ganzen zijn die overtrekt. Maar als ik naar boven kijk, is er niets te zien. Zijn het alleen maar geesten die zingen in de mist?
Het schiet me te binnen dat ik als schoolkind in de winter vaak dagen achtereen naar en van school fietste door dichte mist waarin je geen hand voor ogen kon zien. Met koude jatten en druppeltjes in het haar kwam ik dan thuis, hopend dat ma warme chocolademelk klaar had staan. De jaren vijftig en zestig. Het lijkt eindeloos lang geleden. Waar is die mist gebleven? Zijn er werkelijk minder mistige dagen dan weleer of verbeeld ik me dat?
De website van het KNMI helpt me uit de droom. Sinds de jaren zestig is het aantal mistige dagen, met een zicht minder dan een kilometer, gedaald van 80 naar 40 per jaar. Ook het aantal dagen met dichte mist, een zicht minder dan 200 meter, is gehalveerd van 30 tot 15. Dus toch! Een van de oorzaken van deze afname is de verminderde luchtverontreiniging, want mistdruppeltjes condenseren graag rond stofdeeltjes en roet. Daarnaast speelt het warmer worden van het klimaat en toename van westenwinden een rol, want mist gedijt bij koud weer met stilstaande lucht.
Ik denk niet dat veel mensen er rouwig om zijn dat ze minder vaak beneveld worden.

8 november 2020. Grote genietdag
Vandaag is zo’n prachtige herfstdag waarop alles meezit. De zon schijnt uitbundig, dde temperatuur is aangenaam en er waait een zwak briesje uit het zuidoosten. Groepen ganzen hoog in het zwerk. Bomen en struiken gehuld in goudgeel, dieporanje, koraalrood, bronskleurig, koperbruin. Weerspiegeling in het stille meer.
Ach, kijk zelf maar….

 

3 november. Bij mij kun je een potje breken
Het wordt kouder en er is een kans op nachtvorst. Tijd om mijn subtropische kuipplanten in de kas te zetten, waar de kans op bevriezing gering is. Het is altijd een hele klus want het zijn nogal wat potten en sommige wegen met hun inhoud samen meer dan 30 kilo.
De gemberlelies die ik twintig jaar geleden als stekjes uit de Azoren heb meegenomen, zijn heel vorstgevoelig en dus als eerste aan de beurt. Hun wortelstokken hebben het prima gedaan en gemberlelies bewonen nu acht forse aardewerken kuipen. Bij het binnenhalen van de potten blijken er twee dwars door midden te zijn gespleten door de kracht van  de groeiende wortels. Opmerkelijk dat een kruidachtige plant zoveel kracht kan ontwikkelen met wortels die op zich uit zacht materiaal bestaan. Het is een algemeen voorkomend verschijnsel, want je ziet ook vaak grassen en andere planten tegels oplichten en dwars door het asfalt van fietspaden groeien. Maar het is me nog steeds niet duidelijk hoe ze die enorme kracht precies ontwikkelen.
De gebroken keramiek biedt een goede gelegenheid om hun innerlijk te bestuderen. Dat is verbijsterend. Vrijwel alle potgrond is verdwenen, opgegeten door de wortels die nu de hele ruimte opvullen. Daarbij vormen ze complexe, kunstzinnige patronen van grove koorden, fijne draden en wortelharen, waaraan door mensenhanden gemaakt weefsel niet kan tippen.
Ze hebben wel gelijk, die gemberlelies, om hun potten open te breken. Ze zijn hoognodig aan een nieuwe, ruimere behuizing toe en een maaltijd verse aarde.

 

25 oktober 2020. Vlammende lucht
Vanuit de keuken zie ik een felle gloed in het zuidwesten. De schrik slaat me om het hart. Van de zomer brandde een monumentale, met riet gedekte boerderij aan de andere kant van Holthe tot de grond toe af. De vlammen waren vanuit mijn huis angstaanjagend goed te zien. Deze keer is het loos alarm. Het is een onschuldige zonsondergang, maar wat voor eentje! Nu staan voor verandering de wolken in lichter laaie.

11 oktober 2020. Herfstweer
Echt herfstweer: Felle opklaringen, afgewisseld door dreigende buienluchten bij een frisse westenwind. Met de laagstaande najaarszon lijkt het elke keer erger dan het wordt. Wat gespetter en het is alweer droog.
Tegen de avond nadert er weer zo’n schip met zure appelen vanuit het noordwesten. Ik ben nog boompjes aan het trekken, want het zal wel weer meevallen. Nee dus. Binnen de kortste keren ben ik doorweekt door de dikke, zware druppels.

Nog tijdens de bui breekt de zon door. Die tovert een fantastische regenboog voor de loodgrijze lucht. Alweer. Dit is voor mij het jaar van de regenbogen!

9 oktober 2020. Herfstlam
Vanmorgen wordt ik verrast door een ijl geblaat in de schapenwei. Bij Bles, mijn oudste ooi, loopt een lammetje, pas geboren maar robuust en stevig op zijn dunne pootjes. Het diertje is bijna helemaal zwart, met koddige witte vlekjes over zijn hele lijf. Ik noem hem Spikkel. Bles is de enige ooi die dit voorjaar niet heeft gelammerd. Ik veronderstelde toen dat ze te oud was voor dergelijke capriolen, maar dat is dus een foute inschatting.
Ik heb twee keer eerder zo’n herfstlam gehad en beide keren is het een volwassen schaap geworden. Het is eigenlijk tegennatuurlijk om als grazertje ter wereld te komen in de herfst, wanneer de grasgroei op zijn einde loopt. Aan de andere kant is het puur natuur, want bij mij loopt de ram het hele jaar door bij de kleine kudde. Bij echte schapenhouders is dat maar een korte tijd van het jaar het geval, zodat alle lammeren daar in het voorjaar geboren worden.
Moeder en kind maken het uitstekend.

3 oktober 2020. Moskussentjes zonder kussentjes en zonder mos
Tijdens mijn dagelijkse uurtje boompjes rooien op het Bevrijde land kom ik in deze periode regelmatig paddenstoelen tegen. Vaak zijn dat soorten die een intieme relatie met de boompjes onderhouden, zoals de zandpadvezelkop en diverse russula’s, melkzwammen en vaalhoeden. De boomwortels worden permanent omhelsd door de zwamvlokken van deze paddenstoelen en gedurende die amoureuze relatie worden er tal van stofjes uitgewisseld. Misschien wordt er ondergronds ook wel gezoend, gefluisterd en gegniffeld. Wie zal het zeggen?
Doordat ik tijdens het wieden af en toe zowat met mijn neus op de grond kom, merk  ik ook zwammetjes op die ik in het voorbijgaan gemakkelijk over het hoofd zie. Zo kom ik al enige tijd regelmatig heloranje schijfjes tegen die in onregelmatige kringen op de grond rond jonge boompjes groeien. De grootste exemplaren zijn zo’n centimeter breed. Het blijkt dat dit schijfje bij zeker de helft van de jonge wilgen en berken aanwezig is, althans op de bekalkte delen van het terrein. Er moeten er momenteel tienduizenden groeien. Op de oorspronkelijke zure keileem ontbreken ze geheel, evenals op plekken waar geen boompjes groeien. Vandaag neem ik de tijd om ze eens wat beter te bekijken.


Kring van het Groot moskussentje rond een jonge berk

In schrale terreinen zijn diverse oranje schijfjes te vinden die veel op elkaar lijken. Daarom neem ik er een paar mee voor microscopischonderzoek. De bolvormige, gladde sporen leidden me al snel naar het Groot moskussentje. Helemaal niet zo’n algemene soort en in Drenthe vooral bekend van de bermen van schelpenpaden. Daar is door de schelpen lokaal ook een kalkrijk milieu ontstaan, net als in Schepping.
In vrijwel alle boeken wordt beweerd dat dit zwammetje samen groeit met mossen op schrale rond. Veel oranje schijfjes parasiteren inderdaad op mossen, maar men heeft recent ontdekt dat het Groot moskussentje samen leeft met boomwortels, net als de hierboven genoemde paddenstoelen. Het voorkomen met mossen is toeval. Dat kun je in Schepping mooi zien, want hij groeit vaak op kale leem zonder mossen, maar nooit ver van een jonge boom.
Een kussentje is het Groot moskussentje trouwens ook niet. De schijfjes zijn plat tot iets concaaf. De naam ‘oranje leemschijfje’ zou veel beter passen.


Groot moskussentje, alias Oranje leemschijfje

28 september 2020. Keutelblij
Gewoonlijk ben ik niet zo blij met poep op mijn land. Ja, droge schapenkeutels van schapen en konijnen mogen er zijn. Maar buiten de wei tref ik meestal  half begraven, weke, scherp riekende kattenstront aan die voortreffelijk aan mijn schoenzolen blijft plakken. Ook prettig als je handmatig in de moestuin aan het wieden bent….
Het kan verkeren. Vandaag vind ik een flinke drol op het Bevrijde land die me blij maakt. De keutel in kwestie is droog en nogal onsamenhangend. Hij bevat veel pitten van vogelkersbessen, half-verteerde maïskorrels en felblauwe schildjes van mestkevers. Hier is  een alleseter bezig  geweest, ongetwijfeld een Das. En dat op 50 meter van mijn voordeur.

25 september 2020. Ze kunnen de pot op
Het weer is om. Opeens is het volop herfst. Storm Odette komt vandaag aan land en met de wind komen donkere wolkenluchten en plensbuien. Dat heeft ook zo zijn voordelen, want laat in de middag breekt de lucht in het westen. Door het wolkenvenster tovert de lage zon een volmaakte regenboog boven het Bevrijde Land.

Ik kan duidelijk zien waar de boog de grond raakt, zo te zien precies op mijn eigen land.  Dat betekent geluk, want volgens het volksgeloof zou daar een pot goud in de grond zitten. Vermakelijk hoe door dit sprookje de ware aard van ‘het volk’ wordt onthuld: het grootste geluk is een pot met goud,  symbool van hebzucht en materiële rijkdom. Terwijl de regenboog juist een symbool is van immaterieel geluk, van schoonheid in vergankelijkheid.
Een regenboog is vluchtig voedsel voor mijn ziel. Een pot met goud zit achter slot en grendel in een kluis.

21 september 2020. Rotvlinders
De laatste dag van de astronomische zomer viert de natuur op gepaste wijze met zomerse warmte. Zo heet als vorige week is het niet vandaag, maar 25,3 graden in De Bilt is wel weer een nieuw dagrecord.
De nazomervlinders varen er wel bij. In het Bevrijde land staat de Blauwe knoop nog volop in bloei en tientallen witjes doen er zich tegoed aan hun favoriete nectardrankje. Ik tel ook 20 atalanta’s op mijn land, maar ze zijn niet allemaal van de blauwe knoop. Ze laven zich ook graag aan de rottende valappels die onder de boom naast de kas liggen te gisten. Dan worden ze een beetje aangeschoten en waggelen ze, pronkend met flapperende vleugels, van appel naar appel. Soms laat er eentje zich aaien. Maar dan moet ik wel uitkijken dat ik niet per ongeluk een wesp mee aai, want die zitten er bij honderden.
Eigenlijk is het een wat vulgaire omgeving voor zo’n deftige vlinder als de atalanta. Maar ja, openbare dronkenschap komt in de beste families voor.

15 september 2020. Tropenkolder
Een bizar hete dag. In De Bilt werd het 31 graden, op sommige plekken in Brabant zelfs 35. In mijn tuin haalde de thermometer net niet de tropische 30. Opnieuw een hitterecord voor deze periode van het jaar, maar daar schijnen we aan te moeten wennen.
Dat lukt me niet helemaal. Het is natuurlijk heerlijk om lijf en leden nog een keer te koesteren in een laagstaande zomerzon, maar tegelijk fluistert een stemmetje diep van binnen me van tijd tot tijd in het hart: ‘Dit klopt niet’.
Zo is het natuurlijk ook. Dat we met z’n allen de biosfeer aan de kook brengen, en tegelijk van de kook, klopt niet.

10 september 2020. Bankje
Tijdens een wandeling door landgoed Hooghalen kwam ik dit bankje tegen met een peluwtje van wollig mos. Middenin een stil, oud sparrenbos Honderd procent naturel.
Een uitnodiging van moeder natuur om even te pauzeren en de harsige bosgeur in te ademen.

6 september. Eendje in z’n eentje
Zoals ik hier eerder al vertelde, was het kuifeendenbroedsel op het eilandje in het Kristalmeer dit jaar niet bijster succesvol. Op 1 juli kropen zeven kuikens uit het ei, maar daar was er 17 juli nog maar één over en die werd op 5 augustus door zijn moeder in de steek gelaten. Tot mijn verbazing groeide het elfstandige jonkie voorpoedig op. Hij was een maand later nog steeds niet vertrokken, hoewel hij al lang niet meer het donskleed van een kuiken droeg en helemaal op een volgroeide, bevederde eend leek. Elke ochtend zag ik hem ijverig zwemmen en duiken in de plas en af en toe wapperde hij met zijn vleugels alsof hij wilde vertrekken. Maar hij deed het niet.
Misschien bleef hij wel voor de gezelligheid. Eerst was het eendje in alle staten als ik in de buurt van het Kristalmeer kwam. Met een krakend alarmroepje maakte hij zich dan watertrappelend of duikend zo snel mogelijk uit de zwemvliezen. Maar hij raakte al snel gewend aan mijn gedreutel en de geruststellende woorden die ik elke keer tot hem sprak. Gisteren poetste hij uitgebreid zijn veren terwijl ik vanaf de kant op een paar meter afstand naar hem stond te kijken en een gesprekje probeerde aan te knopen.
Altijd aandoenlijk als een wild dier je zijn vertrouwen schenkt. Maar dat was voorbij zodra er een ander met me meeliep. Dan speelde het eendje nog steeds verstoppertje achter het eilandje in de plas.
Vanochtend was het Kristalmeer leeg en rimpelloos. Mijn gevederde vriend is met onbekende bestemming vertrokken, de wijde wereld in. Vaarwel en behouden reis!

Het jonge kuifeendje uit het Kristalmeer is de wijde wereld in gevlogen


2 september. De overgang
Op 31 augustus eindigt officieel de metereologische zomer en op 1 september begint de al even metereologische herfst. Ik proef de woorden achter op mijn tong en in mijn hart. Zomer en herfst. Augustus en september. Werelden van verschil. Zomer, hoogtepunt van het jaar, warm, bruisend van overvloed en leven. De zomer geurt naar bloemen en trillende lucht. Met de herfst komt de kilte, inkeer, het verval, de terugtrekkende beweging van leven. De herfst ruikt naar aarde en nevels.
De overgang van zomer naar herfst is niet abrupt, niet een kwestie van één dag. Alle veranderingen in de natuur vinden geleidelijk plaats. Toch is de datum van 1 september goed gekozen. Omstreeks die tijd vindt elk jaar de geruisloze overgang plaats. Het ene jaar wat eerder, het andere later.


Vandaag is het zo ver. Deze ochtend hangen voor het eerst de grassen en bloemen vol spinnenwebben, bepareld met dauwdruppels. Het duurt tot de middag voordat de middagzon ze heeft opgelost. In de avond koelt het weer snel af en in de schemering hangen mistbanken boven de Azuren Zomp. De witte wieven uit oeroude verhalen zijn tot leven gewekt.
De herfst is begonnen. Melancholie hangt als onzichtbaar spinrag in de lucht.


31 augustus. Vliegend parelmoer
De laatste officiële zomerdag; zonnig met speelse witte wolken in het blauw, maar herfstig fris. Prima weer voor arbeid op het land. Ik wijd me weer aan de ondankbare taak om het Bevrijde land grotendeels van zijn boomopslag te ontdoen. Ondertussen geniet ik van de zon op mijn huid en de vele witjes die nog steeds boven de bloeiende blauwe knopen dartelen. Opeens zie ik ver weg een heel andere vlinder fladderen, feloranje van kleur. Een gehakkelde aurelia?
Ik gooi mijn spade weg en hol de vlinder achterna die rusteloos kriskras over het bloemenveld vliegt en zo nu en dan even aan een Blauwe knoop nipt. Na een wilde achtervolging kan ik hem wat beter zien, van boven helder oranje met een netwerk van zwarte lijnen. Het is warempel een parelmoervlinder, de eerste ooit in Schepping. Ik heb er 45 jaar naar uitgekeken. Maar welke parelmoervlinder? Dat is van bovenaf lastig te zien.
Na een spurt huiswaarts keer ik terug met een professioneel, vrijwel ongebruikt  vlindernet dat eindelijk goed van pas komt. Systematisch speur ik het hele terrein af en na een kwartiertje vind ik de vlinder terug aan de voet van Tao, genietend van de nectar van Duifkruid. Een beheerste zwaai en hij zit in het net en vervolgens in een potje. Nu kan ik hem goed bekijken. Het is een prachtig beestje, kakelvers alsof hij net uit de pop is gekropen. De grote parelmoervlekken op de onderzijde wijzen uit dat het een Kleine parelmoervlinder is, volgens de Drentse vlinderatlas in deze regio een uiterst zeldzame zwerver. Na een geslaagde fotosessie laat ik hem weer de luchtige vrijheid van een vlinder. Weg is ie.

   

Kleine parelmoervlinder in Schepping, links van boven,
rechts van onderen. 

Ik lees dat de rups op viooltjes leeft, in het binnenland vooral Driekleurig viooltje. Dat plantje is op het Bevrijde land sinds twee jaar enorm toegenomen doordat de droge zomers veel open plekken hebben veroorzaakt in het grasland waar dit eenjarige viooltje graag groeit en bloeit. Het zou best eens kunnen dat de vlinder hier uit de pop is gekropen, want bij een zwerver van ver weg zou je toch een wat verfomfaaid uiterlijk verwachten. Wie weet?


27 augustus 2020. Blauwe knoop

Ik ben van de blauwe knoop. Toch houd ik wel van een goed glas wijn op z’n tijd.
Ik ben van de blauwe knoop omdat ik een fan ben van de gelijknamige plant. Blauwe knoop is een van de laatst bloeiende wilde planten, van half augustus tot diep in de herfst. De bloemhoofdjes hebben een speciale tint blauw die zich moeilijk op de foto laat vastleggen. Die kleur harmonieert wonderwel met het paars van de eveneens laat bloeiende Struikheide, waarmee hij vaak samen voorkomt. Blauwe knoop groeit bij voorkeur in gebieden waar het voor natuurliefhebbers goed toeven is, zoals blauwgraslanden, heischrale graslanden en vochtige heidevelden op leem. Nog niet zo lang geleden was deze plant ook een vrij gewone verschijning in schrale wegbermen en op taluds van watergangen in Drenthe, maar die tijd is voorbij. Omstreeks 1980 stonden er nog een paar pollen in de berm van het weggetje langs mijn huis. Net op tijd heeft hij kans gezien om zich te vestigen in een schraal stukje van mijn tuin. Van daaruit heeft de Blauwe knoop zich uitgebreid naar het Bevrijde land en het Vaderland. Nu bloeien er duizenden planten, een lust voor het oog in deze tijd van het jaar.

Blauwe knoop op het Bevrijde Land

Door zijn late bloeiperiode is de Blauwe knoop een heel belangrijke nectarbron voor insecten die in de nazomer actief zijn. Het gonst er van de bijen, hommels en zweefvliegen, maar ook vlinders doen zich er graag aan tegoed. Vandaag telde ik de overdag actieve vlinders in Schepping. Er zaten vooral veel witjes op de Blauwe knoop: 40 Kleine koolwitjes, 9 Klein geaderde witjes en 6 Grote koolwitjes. Daarnaast noteerde ik 28 Gamma-uilen, 20 Atalanta’s, 17 dagpauwogen, 5 Kleine vuurvlinders, 4 Hooibeestjes, 3 Bonte zandoogjes, 1 Distelvlinder, 1 Kleine vos, 1, Gehakkelde aurelia en 1 Icarusblauwtje.
Vlinders en Blauwe knoop. Daar wil ik wel een toast op uitbrengen. Proost!

Klein koolwitje op Blauwe knoop in Schepping


20 augustus 2020. Wat mot je?
Opeens stikt het hier in huis van de motjes. Ze zitten verspreid op de witte muren in de keuken en woonkamer en concentreren zich ’s nachts bij lampen die de muren verlichten, zoals het goede nachtvlindertjes betaamt. De motten zijn ongeveer een centimeter groot, ovaal van vorm en opvallend plat. Hun vleugels en het borststuk zijn egaal grijs van kleur en contrasteren met de goudgele kop.

Kleine wasmot (Achroia grisella) op de muur van de keuken.

Het is nu het vierde jaar op rij dat deze mottige toestand zich voordoet, maar ik hoef me er niet ongerust over te maken. Het zijn geen motten waarvan de rupsen gaten knagen in kleding of tapijten. Het platte grijze vlindertje is de Kleine wasmot en de larven leven in bijennesten, waar ze zich te goed doen aan de was van de raten.
Dat werpt natuurlijk de vraag op waar ze in mijn huis bijenraten vinden. Het antwoord is eenvoudig. Al een jaar of vijf huist er een volk van honingbijen in de ongebruikte schoorsteen op het voorhuis. Op een zomerse dag kwam er een grote zwerm aangevlogen en die heeft in die schoorsteen kennelijk een goede plek gevonden voor het stichten van een volk. Iedere lente ben ik benieuwd of de bijen de Hollandse vochtige en kille winter hebben overleefd. Honingbijen komen immers van oorsprong uit het gebied rond de Middellandse Zee. Tot nu toe is het ze gelukt.
De bijen zijn vermoedelijk niet zo blij met de rupsjes van de wasmot in hun raten, hoewel ik  gelezen heb dat de larven vooral oude was consumeren. Misschien is het alleen maar een schoonmaakploeg. Blijft de vraag hoe de motjes zo massaal in huis komen. In de schoorsteen zie ik geen openingen naar binnen toe en bijen komen sporadisch het huis binnen. Een ander opmerkelijk feit is dat ik nog nooit een Kleine wasmot gezien heb bij een van de nachtvlindervallen met felle lampen die ik om de paar weken rondom het huis installeer, hoewel ze in huis wél door licht worden aangetrokken. Kennelijk blijven ze doorgaans rondom het bijennest hangen.

Honingbijen vliegen rond de schoorsteen waarin hun nest zit


14 augustus. Driedistel
Twee jaar geleden bezocht ik tijdens een mycologisch uitstapje de Silberberg, een prachtig kalkgraslandrelict in het Teutoburger Wald nabij Hagen. Er groeide daar aardig wat Driedistel op de droge, stenige grond. In het voorbijgaan stopte ik twee decoratieve, uitgebloeide bloemhoofdjes in mijn jaszak. Ik was ze totaal vergeten, maar toen ik een week later mijn hand weer in die jaszak stopte, herinnerden ze me pijnlijk aan hun aanwezigheid. Ze prikten, zoals het een distel betaamt.
Driedistels houden van open, warme plekjes op droge, kalkrijke grond. Daarom strooide ik de zaden uit op de bekalkte zuidhelling van Tao. Wederom vergat ik ze. Tot vandaag, want er stond zowaar één Driedistel te bloeien op Tao. Met twee bloemhoofdjes. Een cadeautje van moeder Natuurvoor mijn verjaardag .

Driedistel (Carlina vulgaris) op Tao


13 augustus 2020. Luchtige kunst
Een avondlucht als een aquarel, maar dan vol dynamiek.


10 augustus 2020. Hittegolf
Een ongekende reeks van tropische dagen met maxima van boven de 30 graden. Dat betekent iedere middag eventjes afkoelen met een ijsje in het Kristalmeer.


5 augustus 2020. Verweesd
Dik twee weken zwommen in het Kristalmeer een vrouwtje kuifeend met haar enig overgebleven kuiken na het dramatische verlies van zes andere donskuikens. Ze bleven altijd dicht bij elkaar en moeder alarmeerde bij de minste onraad met een krakend kwaakje, zodat haar kind zich tussen de oeverplanten kon verschuilen of snel kon onderduiken. Ze was heel zorgzaam, maar toch heeft ze er vandaag de brui aangegeven. In de plas zwemt nu een halfwas jong, moederziel alleen. Wellicht is ma vertrokken naar een groter water, waar het voor een alleenstaande dame veel gezelliger is, maar het kan ook bittere noodzaak zijn omdat  het meertje steeds kleiner wordt en wellicht niet voldoende voedsel bevat om twee eenden te laten overleven.
Hoe het ook zij, na het vertrek van moeder, heb ik een hard hoofd in over de toekomst van de kleine.

Het verweesde kuifeendje op het Kristalmeer


1 augustus 2020. Hemel op Aarde
Om vijf uur in de ochtend werd ik wakker voor een bezoekje aan het toilet. Een beetje slaapdronken zag ik door het raampje van de voordeur een onwerkelijke gloed. Ik tuurde even naar buiten. De muur van het stookhok en de stam van de notenboom lichtten oranje op. Het roze van de bloemen van de dagkoekoeksbloem in de voortuin was tien keer zo intens als overdag. De wereld leek ondergedompeld in een verfbad. Onwerkelijk. Het was alsof ik een hallucinerend middel had gebruikt, maar dat moet dan stiekem tussen de aardappels van het avondmaal hebben gezeten.
Ik was alweer op de weg terug naar mijn bed, want twee doorwaakte nachten bij nachtvlindervallen gaan je niet in de koude kleren zitten. Maar het droombeeld door het raampje liet me niet los De lokroep van de oranje gloed was sterker dan mijn behoefte aan slaap. Ik deed de buitendeur van het slot en liep naar buiten, de prille ochtend tegemoet. Ik had niets om het lijf, want de nacht was zoel geweest en zo vroeg was er toch geen mens op straat. Heerlijk om mijn blote voeten te voelen in de ochtenddauw.

Zo liep ik een eindje naar achteren, de tuin in. Daar vandaan had ik een beter zicht op de lucht. Vanuit het westen naderde een hoge, loodgrijze wolkenbank, die door de net opkomende zon van onderen werd beschenen met oranjerode stralen. Ze lieten de wolkentoppen onwaarschijnlijk helder rozerood en lila oplichten.
Verder ging ik door het vochtige gras naar het Bevrijde Land. Daar kon ik de oostelijke hemel zien, haast verblindend goudgeel onder een smalle strook opaalblauw met witte wolkenflarden. In het westen weerkaatsten de lage wolken een warm oranje licht dat het hele landschap deed gloeien. De aanblik was overweldigend, versterkt nog door de stilte van de vroege ochtend.


Daar stond de linde op Tao, scherp afgetekend tegen zware wolken met oranjebruine zomen die heel traag naderbij dreven. Toen ik de heuveltop bereikte, voelde ik de lauwe druppels van een beginnende, zachte zomerregen. Ik draaide me om. In het zuidwesten begon zich boven de berken een ijle regenboog te ontplooien die het hele land overspande. Ik stond daar te springen van geluk, als een kind zo blij. Ik schreeuwde het uit van verwondering, van puur genot, van de bovenaardse schoonheid van het land, de lucht, de zon, het water in het rimpelloze meer.


Een paar momenten waren Hemel en Aarde verenigd. En ik mocht daarvan in Schepping getuige zijn. Hier en nu mocht ik best dood neervallen om opgenomen te worden in deze hemelse wereld. Maar daarvoor was de tijd nog niet rijp, vond het universum.


30 juli. Reigerveen
Een dagje zwerven door landgoed Vossenberg. Ik probeer daar voor de eigenaar, Stichting Het Drentse Landschap, de ontwikkeling van de plantengroei te volgen. Vooral op de lemige oevers van de daar gegraven plassen hebben zich allerlei bijzondere soorten gevestigd van natte, voedselarme, kalkhoudende grond, een unicum in Drenthe. Heel talrijk is Moerashertshooi die nu volop bloeit met gele bloemen. Ze ruiken naar maggi en die geur hangt subtiel boven de oevers van de centrale plas, het Reigerveen.

Een deel van het Reigerveen met op de voorgrond Moerashertshooi
(Hypericum elodes)

Het Reigerveen is niet alleen in trek bij planten. Ook waadvogels, eenden en ganzen weten de ondiepe plas te waarderen. Ze vinden er voedsel en rust. De laatste jaren houdt er in de zomer bijna dagelijks een clubje lepelaars op. Vandaag staan er 15 te slapen op een lage modderbank, samen met een paar zilverreigers en acht ooievaars.

Lepelaars en een Ooievaar in het Reigerveen


21 juli 2020. Ochtendgloren
Het heeft beslist nadelen om na het inventariseren van nachtvlinders pas tegen de ochtend thuis te komen. Maar soms verandert dat nadeel in een voordeel, als je getuige mag zijn van een prachtige zonsopkomst achter Tao.


17 juli 2020. Dag van verrassingen
Het was zo’n leuk gezicht de afgelopen week, ma kuifeend met zeven donsballetjes in haar kielzog. Nou ja, de kuikentjes waren zo zelfstandig dat ze al gauw alle richtingen op zwommen en meters ver van moeder eend afdwaalden, als uitgelaten kleuters op een schoolreisje. Ze zwommen vooral dicht onder de oever van het Kristalmeer, waar blijkbaar veel lekkers voor ze te halen was. Als dat maar goed gaat, dacht ik geregeld.
Het ging dus niet goed. Gisteren waren er nog maar drie kuikentjes en vandaag is er slechts eentje over. Ik heb de moordenaar niet op heterdaad kunnen betrappen, maar er rust een ernstige verdenking op een verwilderde, schele, bruingevlekte, plukharige kat die vanmorgen vlak aan de oever tussen de hoge planten zit te loeren, de kop naar het water gericht. Ik gooi een flinke kei in zijn richting. Rakelings langs zijn kop natuurlijk, maar ik koester de ijdele hoop dat hij de schrik van zijn leven heeft gehad. Of is de dader misschien toch een van de blauwe reigers die hier regelmatig rondstruinen?

Moeder kuifeend met haar enige overgebleven kuikentje

Waar het ene verdwijnt, verschijnt het  andere. Opeens zwemt in het Kristalmeer een paar nijlganzen met een donsjong dat kennelijk net uit het ei is gekropen. Geen idee waar die vandaan komen. Ik heb hier al in geen maanden een nijlgans gezien. Ze komen wel ieder voorjaar solliciteren naar een nestplaats op het eilandje, maar worden de laatste jaren steevast afgetroefd door de Canadezen. Nu is bekend dat  nijlganzen geregeld op de vreemdste plekken broeden, ook hoog in een boom in grote nestkasten en buizerdnesten. Dus misschien was dat hier het geval. Opmerkelijk is dat de nijlganzen met hun jong twee dagen later alweer spoorloos waren verdwenen.

Nijlgans met kuiken in het Kristalmeer

De grootste verrassing doet zich voor als ik die middag langs de schapenstal loop. Iets bruins beweegt zich in mijn richting. Ik blijf staan. Een moment denk ik aan de vermaledijde zwerfkat, maar dit dier is aanmerkelijk slanker en kleiner. Op drie meter van me vandaan krijgt hij me pas in de gaten. Hij heft zijn kop op. Ik kijk recht in de kraalogen van een bunzing. Hij of zij is niet in het minst onder de indruk van deze ontmoeting met een zoogdier van het type mens. Hij gaat er even bij zitten, laat mij zijn tanden zien en sist nadrukkelijk. Waag het niet om dichterbij te komen, wil dat zeggen! Daarna begeeft de bunzing zich op een sukkeldrafje in de richting van de achterdeur van de stal. Wellicht heeft hij daar binnen een nest met jongen. Dat was een jaar of tien geleden ook al het geval.
Toch rijst onvermijdelijk de vraag: zou die bunzing zich misschien hebben vergrepen aan die schattige eendjes?

 

Links volwassen bunzing (foto in Belarus, 2012), rechts nest jongen bunzings in de schapenstal in 2013


8 juli 2020. Bepareld
Vannacht viel er zachte, gedempte regen uit een verstilde lucht. Geen zuchtje wind. Toen ik vanochtend door Schepping wandelde, was elke grashalm behangen met glasheldere druppels. Een veld vol broze pareltjes, zomaar aan mijn voeten. Wat een rijkdom! Gratis en voor iedereen.


6 juli 2020. Opnieuw zomerkuikens
Een bekend versje zegt: ‘In mei leggen alle vogeltjes een ei, behalve de koekoek en de griet. Die leggen in de meimaand niet.’
Het waarheidsgehalte van deze volkswijsheid valt te betwijfelen. De griet, nu kwartelkoning genoemd, arriveert inderdaad vaak pas in juni, maar de koekoek is dan al een tijdje bezig met leggen. Een veel betere kandidaat voor dit versje is de Kuifeend. Die broedt nu al vele jaren met één of twee paartjes in het Kristalmeer en ze hebben nooit eerder jongen dan in juli. Vorig jaar meldde ik in deze blog de vreugdevolle geboorte van zes jonkies op 1 juli, de vroegste datum tot nu toe. Nu zijn dat er zeven, een paar dagen later. Of het dezelfde moeder is, weet ik natuurlijk niet.
Het blijven aandoenlijke diertjes, die kuikentjes in hun bruine donspakje. Al vanaf de geboorte zwemmen ze in het kielzog van ma parmantig mee.

Kuifeend met zeven jongen in het Kristalmeer


3 juli 2020. Groentje
Het hele jaar door kun je in Schepping groene spechten tegenkomen. Vaak vliegen ze op vanaf de grond, waar ze zich tegoed doen aan de vele mierennesten die in mijn oude, hobbelige grasland verborgen zijn. De Groene specht is de Hollandse miereneter bij uitstek. Maar het blijven schuwe rakkers.  Ik hoor hun schelle schaterlach vaak terwijl ze uit het zicht blijven. Bij zoveel misbaar ga je ze er vanzelf van verdenken dat ze ergens in Schepping of de omgeving daarvan zullen broeden. Een door hen uitgehakte boomholte, herkenbaar aan de ovale opening, heb ik evenwel nooit kunnen vinden.
Vandaag zat er toch een bewijs van broeden in de tuin, in de vorm van een nog wat pluizige vogel, als jong goed herkenbaar aan de zwart gespikkelde wangen en onderzijde en de witte vlekjes op de wat flets groene vleugels. Het was een meisje, want een rode baardstreep ontbrak. Zij streek neer in de afstervende esdoorn achter het huis om daar, geheel vrouweigen, uitvoerig haar toilet te maken.

Pas uitgevlogen Groene specht in Schepping.


1 juli 2020. Eikenwespvlinder
Gestimuleerd door eerdere successen met feromoonvallen voor wespvlinders op eigen land (zie blogberichten van 14 en 16 juni) heb ik al een paar keer getracht om ook de Eikenwespvlinder in de val te lokken. De rupsen van deze wespvlinder leven onder de bast en in stronken van levende eiken en voeden zich daar met de sapstroom. Eiken genoeg, hier in Schepping. Oud en jong, krakkemikkig en vitaal, in bosverband en solitair. Toch is het niet zo vreemd dat mijn pogingen tot nu toe niets opleverden, want de Eikenwespvlinder staat landelijk als zeldzaam te boek en uit Drenthe zijn pas enkele waarnemingen bekend.
Wespvlinders houden van zonnig, warm weer. Vandaag is het fris, winderig en bewolkt, dus verre van optimaal. Ondanks de matige omstandigheden waag ik vandaag opnieuw een poging om ze te verschalken. Ik hang vallen op met feromonen voor de Eikenwespvlinder, Populierenwespvlinder en Appelglasvlinder. Ze zouden alle drie in Schepping kunnen voorkomen.
Bij een controle aan het einde van de middag blijken de laatste twee vallen leeg te zijn, maar in de val voor de Eikenwespvlinder vliegt iets schichtig heen en weer. Als het beestje even stil gaat zitten, blijkt het een prachtig vers exemplaar van de Eikenwespvlinder te zijn! Kenmerkend zijn de gele dwarsbanden op het achterlijf en de gele poten met een zwarte band. Door dit uiterlijk kun je deze vlinder in het voorbijgaan gemakkelijk voor een wesp aanzien. De Nederlandse naam en de wetenschappelijke naam (Synanthedon vespiformis) zijn goed gekozen. Als je wat beter kijkt, blijkt de tekening op de vleugels sterk te verschillen en ook de sprieten zien er heel anders uit. Maar wie neemt die moeite?

Eikenwespvlinder, 1 juli 2020

30 juni. Een natte neus in de spiegel
Vanmiddag vind ik in de brievenbus post van Stichting Het Drentse Landschap met daarin een kaartje aan alle vrijwilligers die de organisatie ondersteunen. Op de kaart staat een bekend corona-motto: ‘Blijf veilig en gezond’. Daarbij ingesloten zit een plastic zakje met een stukje textiel. Het blijkt een mond- en neusmasker te zijn met daarop een afbeelding van de roze snuit van een Hooglander, een van de grote grazers die bij het beheer van heidevelden en graslanden worden ingezet. Ik vind het wel geestig, maar hoorde ook van iemand het commentaar: ‘Afschuwelijk!!! Hoe verzinnen ze het!!!’ Het ding kan in ieder geval van pas komen als ik van het openbaar vervoer gebruik wil maken, want ik heb er nog geen aangeschaft. Ik heb de koeiensnuit meteen opgezet en in de spiegel bekeken. Mijn eerste muilkorf ooit.
Mijn koeiensnuit bekijkend in de spiegel komt de gedachte bij me op: gedragen wij, mensen, ons niet een beetje te veel als grote grazers en kuddedieren?

28 juni. Dudeldjo
De laatste paar jaar word ik op mijn land geregeld getrakteerd op het warme, zomerse geluid van de wielewaal. Ik neem aan dat deze zuidelijke gast hier broedt, want de hele maand juni hoor ik hem van tijd tot tijd roepen. Dudeldjo klinkt zijn lied….
Af en toe zit de wielewaal in de lindes vlak achter het huis lte roepen. Ik speur dan met de kijker langdurig de boomtoppen af, maar ik krijg hem nooit te zien in het dichte bladerdak. Terwijl het zo’n prachtvogel is met zijn exotische verenpak van zonnegeel en nachtzwart. Soms neem ik de uitdaging aan en fluit ik terug. Mijn wielewaal windt zich dan behoorlijk op over de laagbijdegrondse indringer in zijn territorium en begint steeds harder en sneller te dudeldjoën. Ons duet eindigt er doorgaans mee dat hij het bedrog ontdekt en met een lelijke gaai-achtige kreet van het strijdtoneel vertrekt. Als ik geluk heb, zie ik een moment een vogel ter grootte van een spreeuw wegvliegen.
Vanmorgen leek mijn wielewaal helemaal over zijn toeren. De tuin was helemaal gevuld met dudeldjo. Ik liep naar buiten om poolshoogte te nemen. De wielewalenzang klonk deze keer niet alleen uit de linde, maar ook uit een eik wat verderop. Even later mengde zich vanuit de bosrand nog een derde zanger in de vocale strijd. Dit concert voor trio in c-majeur duurde een kwartier. Toen kon de vogel in de linde het niet meer aanhoren. Met een rauwe oorlogskreet deed hij een uitval naar de top van de eik. Even later joegen twee wielewaalmannen achter elkaar aan. Een paar seconden flitsten zwart en geel door de blauwe lucht, tot ze uit het zicht verdwenen.
Dudeldjo….. Wat een mooie begroeting eigenlijk.

In deze bomen fluiten wielewalen. Maar ik krijg ze niet te zien.

26 juni. Vlindernacht
Het hooien van het Vaderland zit erop; de pakjes liggen veilig in de stal. Tijd om mijn zinnen te verzetten. Vandaag was het nog een zonovergoten, hete dag, maar volgens het KNMI is er een weersomslag op komst. Met een zoele nacht in het vooruitzicht is het een ideale gelegenheid om een bijdrage te leveren aan de nachtvlinderkartering in Drenthe.
Ik kies op goed geluk voor landgoed Hooghalen, eigendom van Het Drentse Landschap. Daar kan ik goed drie lichtvallen plaatsen langs een fietspad door een afwisselend gebied met een beukenlaan, eikenbosjes, meidoornstruweel, schraal grasland en een ven. Dat moet  wel wat opleveren.
De langste dag ligt net achter ons, dus de duisternis valt pas om 11 uur in. Nu verlaten de nachtvlinders hun schuilplaatsen, maar ondanks de heerlijk lauwe nacht blijft het opvallend rustig op de lakens achter de lampen. Rond één uur is er nog steeds weinig te beleven. Een plotselinge, koude windvlaag laat de bomen ruisen en de lakens opbollen. Mijn hoge verwachtingen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Even later gaat de wind liggen en wordt het een paar graden warmer.
Opeens krijg ik het druk. Van alle kanten komen vlinders aangevlogen, onweerstaanbaar aangetrokken door de speciale lampen. Prachtige vlinders, zoals de bleekgele Vliervlinder, het rozerode Groot avondrood, de grasgroene Zomervlinder. Zeldzaamheden, zoals de Zwarte-l-vlinder, het Eikenblad en de Bosrankdwergspanner. Een waar nachtvlinderfeest.
Ik was van plan om het niet al te laat te maken, maar daar komt niets van terecht. Pas om half vier, als in het noordoosten het alweer schemert, ruim ik mijn uitrusting op. In totaal tel ik zo’n 500 exemplaren van 95 soorten. Zo’n rijke oogst heb ik in jaren niet gehad.

   

Groot avondrood (links), Zomervlinder (rechts)

16 juni. Wilgenglasvlinders
Ik heb al een paar keer tevergeefs op diverse plekken in Schepping het feromoon van de Wilgenglasvlinder opgehangen. Volgens de boekjes moet deze vlinder in wilgenstruwelen vrij talrijk zijn, vooral op natte standplaatsen. In Schepping staan verspreid wel wilgen, maar meestal is dat de Boswilg die vooral op vrij droge plaatsen groeit. Vandaag doe ik een nieuwe poging bij een oude, spontaan opgeslagen Grauwe wilg op een wat vochtige plek in de noordoosthoek van het Bevrijde Land. En warempel. Twee uur later zitten er twee wilgenglasvlinders in de val. Prachtige dieren met hun rode vleugelpunten, rode band over het achterlijf en het zwarte pluimpje achteraan, chick afgezet met wat witte franje.

Wilgenglasvlinder

15 juni. Betrapt
Op 9 april zwom in het Kristalmeer een vogel die ik nooit eerder in Schepping had gezien. Een Waterhoen. Niets bijzonders, zal menigeen zeggen. Ze zitten immers vaak in boerensloten en zijn zelfs midden in de stad in parkvijvers te zien. Toch was ik opgetogen, want ik heb een zwak voor waterhoentjes. Als je ze goed bekijkt, zijn het prachtige vogels met hun leigrijze verenkleed dat in het zonlicht een subtiele blauwe gloed vertoont, aan de flanken voorzien van een contrasterende witte lijn. Ze zijn door moeder natuur perfect afgewerkt met geelgroene poten en een knalrode snavel met een gele punt. Bovendien schokken ze steeds zo aandoenlijk met kop en kont.
In de broedtijd veranderen waterhoentjes in het buitengebied in schuwe rakkers die zich verschuilen in dichte moerasvegetaties. Je hoort ze dan eerder dan dat je ze ziet, echt zoals het een lid van de rallenfamilie betaamt. Moerasvegetatie is er in Schepping evenwel nauwelijks, en al helemaal niet langs het Kristalmeer. Wat voert dat Waterhoen hier in zijn schild? Is het een toevallige passant?
Na die eerste keer ving ik toch af en toe een glimp van een Waterhoen op, zoals die ochtend waarop hij vlak achter het huis over een keienpaadje trippelde. Veel vaker hoorde ik zijn karakteristieke roep, in de trant van ‘prrruuk’. Dat geluid kwam van verschillende richtingen, maar opvallend vaak uit de lelievijver achter het huis. Zou hij daar tussen de zeggepollen een nest hebben gebouwd? In zo’n klein plasje?
Het bleef een raadselachtige vertoning. Tot vandaag. Want vanmiddag zag ik een waterhoen met twee halfwas jongen het Kristalmeer oversteken. Ze waren weliswaar in een oogwenk verdwenen achter het eilandje, maar dat hielp niet meer. Ik heb ze op heterdaad betrapt!

Waterhoen in het Kristalmeer

14 juni. Met hormonen in de val
Ik heb er een hobby bij: het inventariseren van wespvlinders met behulp van feromonen. Dat klinkt als tovenarij en eigenlijk is het dat ook. De familie van de wespvlinders (inclusief glasvlinders) omvat kleine tot middelgrote vlinders die in volwassen toestand een opvallende gelijkenis vertonen met wespen en vliegen. De rupsen leven verborgen in het hout en de wortels van houtige planten en enkele kruiden. In Nederland zijn 13 soorten bekend, waarvan de meeste in het rupsenstadium gebonden zijn aan een bepaalde waardplant. De namen Bessenglasvlinder en Eikenwespvlinder spreken wat dat betreft voor zich.
Wespvlinders worden door biologen tot de nachtvlinders gerekend, maar ze zijn overdag actief, vooral bij warm, zonnig weer. Veel soorten bezoeken van tijd tot tijd bloemen. Desondanks worden ze maar weinig waargenomen. In de zestig jaren dat ik in de natuur rondzwerf, heb ik nog nooit een wespvlinder gezien. Onoplettendheid wellicht? Of zijn de meeste soorten zeldzaam?
Recent is een interessante methode ontwikkeld om daarachter te komen. De vrouwtjes van wespvlinders scheiden soortspecifieke geurstoffen (feromonen) af om mannetjes aan te trekken voor de paring. De feromonen van de meeste soorten zijn inmiddels geanalyseerd en in het laboratorium nagemaakt. Ze worden commercieel aangeboden omdat veel soorten schadelijk kunnen zijn in cultures en bossen. Door kleine capsules met deze feromonen, zogenaamde lures, op geschikte plaatsen in het veld op te hangen, kunnen mannetjes van wespvlinders worden gelokt. Er zijn ook plastic vallen beschikbaar waarin zo’n lure kan worden geplaatst. Geile mannen die worden aangetrokken door een vrouwtjesgeur kunnen daaruit niet gemakkelijk ontsnappen. Zo kunnen we erachter komen waar wespvlinders voorkomen.
Wellicht de meest algemene wespvlinder in Nederland is de Bessenglasvlinder. Die soort zou in de meeste tuinen met bessenstruiken wel te vinden zijn. Nu groeien naast mijn moestuin slechts twee aftandse aalbessenstruiken, dus de kans dat die beestjes bij mij woonden achtte ik zeer gering. Twee eerdere pogingen leverden niets op. Vandaag heb ik het nog maar eens geprobeerd door een val met een lure van de  Bessenglasvlinder in een bessenstruik te hangen. Wie schetst mijn verbazing als er aan het einde van de middag een wolkje insecten in de val rondvliegt. Maar liefst 17 bessenglasvlinders tegelijk!
De rupsen van de Bessenglasvlinder leven in takken van bessenstruiken. Met zoveel vlinders begin ik me af te vragen of zij niet verantwoordelijk zijn voor de slechte staat van mijn aalbessen. Ik gun ze dat overigens van harte, want het zijn prachtige, boeiende insecten. Mysterieus blijven ze ook.

Bessenglasvlinder

12 juni. Schapen scheren
Vandaag staat in het teken van de schapen. Om 3 uur komt Bert gewoontegetrouw de schapen scheren. Dat doet hij al heel wat jaren en daarvoor kwam zijn vader. Een typisch voorbeeld van ‘jong geleerd, oud gedaan’.
Mijn zes schapen grazen nu met hun lammeren in het Land van Moet en de Hoge Weide. Als gevolg van de aanhoudende droogte groeit het gras daar bijna niet en moeten de schapen worden overgebracht naar de weide achter mijn woning. Na het scheren zal Bert ze met zijn veewagen hierheen transporteren. Voordat het zover is, moet de schapenstal worden uitgemest. Ik breng elf volle kruiwagens naar een oude mestbult. Dat is weer mooi voor de moestuin, volgend jaar.
Het scheren van mijn schapen loopt vaak op rolletjes, maar nu heeft het de nodige voeten in aarde. Ik heb een uithoek van de Hoge Weide zo ingericht dat hij gemakkelijk met gaas is af te sluiten. In die uithoek voer ik ze altijd schapenbrokken en krijgen ze water. Meestal laten ze zich door gerammel met een pan brokjes gemakkelijk naar die plek leiden. Ook vanmiddag volgen ze me gedwee, maar één schaap met een lam vertrouwt de zaak niet en blijft buiten het raster. Dat wordt een wilde achtervolging. Uiteindelijk loopt ze zich min of meer klem achter een paar hoge braamstruiken, maar zelfs dan moet Bert het schaap met een snoekduik om de nek vallen om haar te pakken te krijgen. Over haar lam, een rammetje, bekommeren we ons even niet. Hij hoeft nog  niet te worden geschoren.
Tijdens het scheren blijkt een oude ooi, Bles, een stuk prikkeldraad in haar vacht te hebben dat er helemaal in verward is. Ik had daar nog niets van gemerkt. Ze rende net zo lustig achter me aan als de rest van de kleine kudde. Het kost moeite en geduld om het prikkeldraad eruit te knippen. Bles heeft gelukkig alleen kleine, oppervlakkige verwondingen aan twee poten. Dat had veel erger gekund.
Na het scheren proberen we het hele zooitje in Bert z’n veewagen te krijgen, op naar het beloofde land van overvloed. Mijn schapen verlenen weinig medewerking. Het gezegde ‘Als er één schaap over de dam is, volgen er meer’, gaat deze keer niet op. Het is meer het spelletje ‘schaapje verwisselen’: de ene erin, de andere eruit. Maar uiteindelijk klaren we de klus met de nodige zweetdruppels
Het ontbrekende rammetje is ook al een lastpak. Hij laat zich niet verleiden door het klagelijke geblaat van zijn moeder en hij laat zich in eerste instantie ook niet door ons verrassen achter de braambosjes. In plaats daarvan rent hij helemaal naar het bos achter de huisplaats van Moet, waarbij hij met gemak over een tussenraster van schapengaas springt. Daarna is hij een tijdje spoorloos. Tijdens onze speurtocht nar het lam vinden we nog een stuk losliggend prikkeldraad. Weg ermee. Uiteindelijk krijgen we het rammetje toch te pakken achter de braambosjes bij de vangkooi. Bert is buiten adem en ik ben ook tamelijk total loss.
De schapen worden vervolgens zonder problemen vervoerd en gelost in de weide achter de stal. Ze beginnen onmiddellijk aan het verse, lange gras te knabbelen, alsof er niets is gebeurd.

Bert scheert een ooi. Haar lam houdt een oogje in het zeil.

9 juni. Bremraap
Vanochtend zwierf ik wat rond over het land, weelderig in bloei en nog steeds met volop zingende vogels. Voorbij het bruggetje over de lelievijver zag ik iets paars tussen het gras. Kennelijk een orchidee. Maar toen ik beter keek, zag ik dat de plant geen groene bladeren had, alleen wat violette schubben aan de stengel. Een Blauwe bremraap! Deze plant zonder bladgroen is een parasiet op de wortels van Duizendblad, soms ook alsem soorten. Hij is in Nederland zeldzaam is  en komt vrijwel uitsluitend in de kustduinen voor.
Dat de Blauwe bremraap nu in Schepping opduikt, is niet zo wonderlijk als op het eerste gezicht lijkt. In 2007 was ik op een bijeenkomst van ecologisch hoveniers en daar werden zakjes zaad te koop aangeboden van bijzondere inheemse planten. Ik besloot een gokje te wagen en kocht uit nieuwsgierigheid het zaad van Blauwe bremraap. De stoffijne zaadjes heb ik op diverse plekken uitgestrooid in de buurt van vitale plakkaten Duizendblad. Eigenlijk had ik er geen enkele fiducie in, maar tot mijn verrassing verschenen op één plek in 2008 drie bloeistengels van de Blauwe bremraap. In 2009 stond er nog maar eentje en het jaar daarop was de bremraap weg. Geen wonder, want het Duizendblad was ter plekke ook verdwenen, ondergronds opgepeuzeld door de parasiet.
Elf jaar later verrast de Blauwe bremraap mij dus opnieuw. Ik heb de plant op de huidige groeiplaats nooit gezaaid en het moet dus een nakomeling zijn van de bloeiende planten uit 2008 en 2009. Die stonden destijds een meter of vijftien van de huidige groeiplaats. Ik ben benieuwd of hij hier volgend jaar weer verschijnt, want er groeit maar weinig Duizendblad.

Blauwe bremraap in Schepping

8 juni. Een sieraad in de bloemenwei
De margrieten bloeien volop. Dat betekent een gedekte tafel voor talloze insecten, vooral vliegen en kevers. Met mijn fototoestel in de aanslag loop ik door het hooiland om wat van die bloembezoekers te portretteren. Ze zijn allemaal de moeite waard, maar eentje valt toch wel bijzonder in het oog: een forse, ovalen, bronsgroene kever met witte haarvlekjes op zijn dekschilden. In de zomerzon glanst de kever als een juweel. Het is één van de twee ‘gouden torren’ die Nederland rijk is. De soortnaam ‘Gedeukte gouden tor’ doet wel wat afbreuk aan deze eretitel.
De Gedeukte gouden tor is in Schepping een nieuwkomer. Pas vorig jaar zag ik hem voor het eerst, toen op de bloemen van Keizerskaars. Het is moeilijk voorstelbaar dat ik zo’n opvallende kever eerder over ’t hoofd heb gezien. Wellicht is het een van de vele insecten die geleidelijk oprukt naar het noorden als gevolg van de steeds warmere zomers. Een interessant detail is dat de larven van de Gedeukte gouden tor in nesten van de Rode bosmier leven (site Waarneming.nl). Ik ben benieuwd wat die larve daar eet en hoe hij het klaarspeelt dat hij door de mieren niet als een smakelijk hapje wordt beschouwd. Dat verhaal heb ik nog niet kunnen traceren.

Gedeukte gouden tor op bloem van Margriet

7 juni. Orchideeën
Het is een van de hoogtepunten van het jaar, de tijd dat de orchideeën bloeien. Ze groeien tegenwoordig op verschillende plaatsen in Schepping, maar toch het meest en het weelderigst aan weerszijden van het beekje aan de zuidkant van het Kristalmeer. Er staan daar door elkaar honderden exemplaren van de Rietorchis en de Gevlekte orchis, met allerlei overgangen daartussen. De purperrode en lilaroze bloemtrossen harmoniëren wonderwel met het zachte geel van de Grote ratelaar die daar nu ook volop bloeit.
Twintig jaar geleden zag dit gebied er heel anders uit. Er groeiden vooral haarmossen en grassen op de zure, lemige grond. Een beetje saai. De huidige rijkdom aan orchideeën is helemaal te danken aan het herhaaldelijk uitstrooien van gemalen mergel, waardoor de zuurgraad van de bodem drastisch veranderd is. Meer informatie hierover is te vinden in de nieuwe versie van het boek ‘Schepping’ die binnenkort op deze website wordt gepubliceerd.

3 juni. Boktor
Op een blad van de stokroos in de moestuin zit een grote, deftige kever. De dekschilden zijn bezet met goudgele schubjes en de poten zijn zilverwit. Het meest vallen echter de enorme, boogvormige sprieten op, zwart en opaalwit geblokt. Het is duidelijk een boktor, maar deze soort heb ik bij mijn weten nooit eerder gezien.
Met behulp van Internet (site obsidentify) kom ik er snel achter dat het gaat om de Gewone distelboktor. Er wordt bij vermeld dat deze soort in ons land algemeen is. Verbazend dat ik dit prachtige insect niet eerder ben tegengekomen.
Zo zie je maar weer. Je bent nooit te oud om iets nieuws te ontdekken.

Gewone distelboktor

28 mei. Meer dons in de plas
Net als vorig jaar zwemmen nu in het Kristalmeer twee brandganzen rond met drie zilvergrijze donsballetjes tussen zich in. Ze moeten vannacht uit het ei zijn gekropen, want gisteren zat moeder gans nog te broeden op het eilandje in de Azuren Zomp. Een tweede broedpoging van brandganzen aldaar is mislukt. Hun nest zat op een schiereilandje, verbonden met de oever. Dan maak je weinig kans tegen eierliefhebbers als vossen en bunzings.
Op het eilandje in het Kristalmeer broedde dit jaar gewoontegetrouw een stelletje Grote Canadese ganzen. Een voltallig ganzengezin produceert maanden achtereen een flinke hoeveelheid mest en dat heeft een ongewenste invloed op de bijzondere plantengroei in het water en op de oever van de plas. Daarom wilde ik in april het aantal eieren in het nest reduceren tot twee. De moeite bleek tevergeefs want alle zeven eieren in het nest bleken onbevrucht. Er was er al eentje kapot gegaan en die stonk verschrikkelijk. De Canadezen keerden ook niet op het nest terug en vertrokken spoedig met onbekende bestemming.

Brandganzen met pas uitgekomen kuikens

20 mei. Donsjes
Ik hoor ze veel vaker dan dat ik ze zie, de dodaarzen die jaar in jaar uit in het Kristalmeer huizen. Hun hinnikende gelach laten ze niet alleen overdag, maar ook ’s nachts horen. Dan klinkt hun gezang zelfs een beetje onheilspellend. Als ik omzichtig naar de plas loop, zie ik er af en toe eentje dobberen op het water. De dodaars heeft me echter direct in de gaten en duikt dan onder om ergens tussen dichte oeverbegroeiing weer boven te komen, onzichtbaar voor mijn spiedende blik. Er gaan dagen voorbij zonder een spoor van dodaarzen. Toch weet ik dat ze ergens aan de rand van het eilandje in de plas hun nest moeten hebben, zoals in andere jaren.
Vandaag is het anders. Nu zwemt er een dodaars in het Kristalmeer, met in haar kielzog drie zwarte plukjes drijvend dons. De eieren zijn uitgekomen. Moe laat een scherp alarmfluitje horen, maar de kuikentjes zijn nog wat soezerig en argeloos. Ze duiken eventjes onder om te demonstreren dat ze dat kunnen en laten zich daarna een tijdje goed bekijken. Wat een schatjes zijn het toch! Niet veel groter dan hommels, met dons dat alle kanten op staat en een eigenwijs kopje met zwarte kraaloogjes. Vertederend!

Piepjonge dodaarskuikens in het Kristalmeer

17 mei. Make-over voor Androgientje
Androgientje is een massief, menshoog beeld dat ik in 1997 heb vervaardigd van keileem, afkomstig uit de plassen van het Bevrijde Land. In totaal heb ik er destijds twaalf kruiwagens leem in verwerkt. Het staat in de bloemenweide achter mijn woning en is voorzien van een afdakje omdat het anders met de regen zou wegspoelen. Androgientje lijkt op een Siamese tweeling; een vrouw en een man, ruggelings met elkaar vergroeid. Het symboliseert voor mij de verbinding tussen het mannelijke en vrouwelijke principe, de mannelijke en vrouwelijke kant die binnen ieder mens aanwezig zijn.
Ondanks het afdak blijft Androgientje gevoelig voor weersinvloeden. Bij een hevige bui kunnen delen van armen en benen wegspoelen en de aangebrachte versieringen vallen af en toe in het gras. Hij en zij zijn dus af en toe aan een opknapbeurt toe. Dat was al een paar jaar niet gebeurd, maar vandaag heb ik er zin in. Lekker kliederen met natte leem en beide zijden opnieuw versieren met schelpjes, kettingen en frutsels. Ik had bij de kringloopwinkel al wat parafenalia ingeslagen.
Ik blijf een halve dag met Androgientje spelen tot ik tevreden ben over haar en zijn nieuwe look. Heel modebewust, vind ikzelf. Hieronder plaatjes van het resultaat!

 

De twee kanten van Androgientje na een opknapbeurt

16 mei. Muurkruipers
We zitten aan de koffie op het betegelde terras in de schaduw van een grote eik. Voor ons ligt de recent aangelegde steentuin met als opvallende elementen de Borietjes, de Galerij der Geliefden en de Toren van Babbel. Tussen de grijze keien bloeien paarsblauwe plakkaten kruipklokjes. Nu de planten aanslaan, verliest het metselwerk geleidelijk zijn oorspronkelijke kale hardheid. Het uitzicht stemt me tevreden.
Opeens zie ik vanuit mijn ooghoek iets bewegen op de loodrechte wand van de toren. Het is een vogel, klein en bruin, en daardoor nauwelijks afstekend tegen de bakstenen achtergrond. Een Boomkruiper. In zijn lange, gebogen snavel heeft hij een groene rups. Na een paar hupjes op de muur naar boven verdwijnt hij in een spleet van een betonnen siersteen die ik ooit uit een wegberm heb meegenomen waar hij achteloos was gedumpt. Terwijl de boomkruiper binnen de jonkies voert meldt zijn partner zich al met een andere lekkernij, bruin met lange poten. Ze lossen elkaar voorbeeldig af.
De boomkruipers zijn helemaal niet schuw terwijl wij vanaf een meter of vijf hun doen en laten gadeslaan. Bijna iedere minuut komt er wel een oudervogel aangevlogen met een hapje voor de jongen. Die zitten voor onze blik verborgen ergens in de toren verborgen en geven geen kik.
Speciaal voor vogels en insecten heb ik vorig jaar bij het metselen van de toren gaten en spleten in allerlei maten opengehouden. Stiekem hoop ik op een paar steenuilen, want die horen echt bij zo’n bouwval, ook al is deze ruïne een beetje nep. Maar steenuilen zijn erg schaars in deze contreien. In het voorjaar hing er een week een paar witte kwikstaarten rond bij de toren, maar die zijn niet tot nestelen overgegaan. Wellicht omdat pa kwikstaart gebiologeerd was door een ingemetselde spiegel in de muur en met zijn eigen spiegelbeeld voortdurend de strijd aanbond. De onverstoorbare boomkruipers trekken zich daar niets van aan. Ze zijn de eerste gevederde bewoners van de Toren van Babbel. Ik had ze helemaal niet verwacht, want volgens de boeken broeden ze vooral in spleten in bomen, achter los zittende stukken schors en in speciale nestkasten. Mijn goede vogelvriend Leo Oudejans vertelde echter dat al een paar keer boomkruipers hebben genesteld achter een daklijst van zijn huis. Dat komt wat nestplaats betreft al aardig dicht bij  mijn toren in de buurt.

Boomkruiper met voer voor zijn jongen bij de nestplaats

5 mei 2020. Ereprijs
Je zult maar ereprijs genoemd worden. Of deftig Veronica!
Het is echter volkomen terecht dat een nederig plantje zulke mooie namen draagt, want de bloemen zijn van een simpele, tedere schoonheid.  Ze doen me denken aan kinderogen: wijd open, argeloos en een tikje verwonderd. De bloemkroon is gezegend met een fantastisch  blauw dat een veel lijkt op hemelsblauw, maar een beetje naar violet neigt. De grote Eli Heimans was al een eeuw geleden verbaasd dat de kleurnaam ‘ereprijsblauw’ niet alom in zwang  was. En dat is hij nog steeds niet. Het is ook een mirakel dat zo’n lief en gemakkelijk plantje niet een van de meest populaire tuinplanten is. Ik zie hem tenminste nooit aangeboden in normale tuincentra.
Het is alleen jammer dat de poëtische uitstraling van deze ereprijs wat wordt ondermijnd door het voorvoegsel ‘gewoon’. Gewone ereprijs dus, terwijl ik het een wonder vind.
De bloemen van de Gewone ereprijs worden op sommige plaatsen overdag bezocht door een minuscuul vlindertje, niet groter dan vijf millimeter. Het is de Dwerglangsprietmot, waarvan de rupsjes op de vruchten en oude bladeren van ereprijs leven. Ik had er nog nooit van gehoord tot mijn mottenvriend Joop Verburg me een paar jaar geleden op het bestaan ervan wees. Bij het eerste veldje Gewone ereprijs op het Vaderland zagen we er al een paar rondvliegen. Sindsdien kom ik ze hier jaarlijks tegen. Eerst zie je helemaal niet wat er voor zwartig beestje wegvliegt, maar van nabij zijn het fraaie vlindertjes. In de zon zijn de vleugels goudgroen met een purperen glans. De Dwerglangsprietmot gaat voor zeldzaam door, maar vermoedelijk wordt hij vaak over ’t hoofd gezien.


Gewone ereprijs (links) en bloemen met een Dwerglangsprietmot (rechts)

3 mei 2020. Verlies en winst
De wind is weer naar de noordhoek, fris en stevig. Blauwe lucht met wattenwolken.
Ik heb de ijsvogels al zeker 10 dagen niet meer gezien en ze zijn dus hoogstwaarschijnlijk naar elders vertrokken. Ik ga maar eens een kijkje nemen bij de nestholte in de steilwand langs het Kristalmeer, waarvan ik de plek inmiddels met een verrekijker heb kunnen lokaliseren. Dat kijkje nemen is overigens gemakkelijker gezegd dan gedaan, want de vier meter hoge, bijna loodrechte wand bestaat uit kruimelige leem. Een paar jonge boompjes bieden wat houvast en zo kan ik me met moeite staande houden. Er zijn bij de nestholte geen tekenen van activiteit te zien en bij de ingang liggen kapotte witte eierschalen. Blijkbaar is het nest leeggehaald door een of andere eierrover, wellicht de bunzing die ik af en toe zie lopen. Ik zal ze missen, mijn blauwe visvriendjes.
Tijdens mijn capriolen op de leemwand doe ik ook een leuke ontdekking. Er groeien twee mooie polletjes van Hondsviooltje, een plantje dat in Drenthe langzamerhand schaars geworden is. Ik heb vele jaren geleden op een hele andere plek eens een polletje geplant, maar het daarna nooit meer gezien. Het is gissen of de Hondsviooltjes van vandaag nazaten zijn van dat plantje of dat ze hier op eigen kracht zijn gearriveerd.


Verlaten broedholte van de ijsvogels met eierschalen (links), Hondsviooltje (rechts)

27 april 2020. Uitbundig
Koningsdag viert zichzelf met alweer heerlijk, zonovergoten lenteweer. Dat is ook wel het enige volksfeest vandaag, want in verband met corona zijn alle festiviteiten afgelast. Thuis blijven is het parool. Nu is dat voor mij niet zo’n probleem, want de tuin is adembenemend mooi. Als ik naar buiten kijk, zie ik uitbottende bomen in allerlei subtiele nuances van groen. Fris en sprankelend groen; heel anders dan het bezadigde groen van de zomer. De grote meidoorn naast het huis is dit voorjaar in krankzinnige spilzucht overladen met stralend witte bloesems. Eén groot bruidsboeket, mij aangeboden door meisje natuur. Ook de lijsterbes staat in volle bloei, maar neigt meer naar roomkleurig. Een beetje ouderwetsig, meer passend bij moedertje natuur. En dan die machtige kastanje van Anneleen als reuzenkandelaar met duizenden kaarsjes. Een verlaat kerstfeest.
Dichterbij, langs de vijverrand, zijn de japanse azalea’s opeens uitgebarsten in een orgie van paars, rood, roze en geel. Een paar jaar terug was hier een groep ecologisch hoveniers te gast in de tijd dat de azalea’s bloeiden. Een deel van hen vond deze uitbundigheid ongepast; te contrasterend met de groene pasteltinten en bleke bloesems van andere struiken. Een beetje ordinair. Of misschien wel heel erg ordinair, als opgemaakte bakvissen in te korte, kleurige jurkjes. Voor mij is de bloei van de azalea’s ieder jaar weer verrassend in zijn felheid en overdaad. Een symbool voor de steeds herboren jeugd, de eeuwige lente, het feest van het leven.
Ze dagen me uit: Vier het!

Tuin achter het huis met bloeiende paardenkastanje en Japanse azalea’s

17 april 2020. Nostalgie
Tenminste eenmaal in de lente maak ik een uitstapje naar het polderland  om weidevogels te zien en te horen. Het wordt voor mij steeds meer een reis terug in de tijd. In de jaren vijftig en zestig woonde ik aan de oostrand van Utrecht. Voorbij de rondweg begon de Johannapolder, eindeloze graslanden vol pinksterbloemen, boterbloemen en veldzuring waarboven leeuweriken ononderbroken tierelierden. Soms werden ze overstemd door de drieste uitvallen van grutto’s, kieviten en scholeksters naar overvliegende kraaien en ander gespuis. Waartoe ook ik behoorde, al had ik geen kwaad in de zin. De Johannapolder is korte tijd later volgebouwd met de nieuwbouwwijk Rijnsweerd en universiteitscentrum De Uithof. Ik moet er soms zijn en dat doet pijn. De teloorgang van de idylle uit je jeugd went nooit.
Vandaag was het zo ver. Met Christine maakte ik een zonovergoten wandeling door de Oostpolder bij Noordlaren. Het weidevogelleven was er niet erg uitbundig, maar ze waren er allemaal; gruttoënde Grutto’s, kievitende kieviten, turelurende tureluurs. Veldleeuweriken dansten als stipjes aan een onzichtbaar marionettentouwtje en vulden de blauwe lucht met de nostalgie van mijn kinderjaren. We zagen zelfs kemphanen, al waren dat groepen doortrekkers op weg naar het hoge noorden, waarvan de mannetjes nog hun mooie woeste kragen moesten krijgen. Als toetje zagen we vanaf de Osdijk hoe een zeearend op zijn enorme horst landde, gebouwd in een onbenullig elzenbosje dat in geen verhouding staat tot deze machtige vogel.


Grutto’s (links) en Tureluur (rechts) in de Oostpolder

4 april 2020. IJsvogels
De afgelopen weken had ik al enkele keren een ijsvogel opgeschrikt bij het Kristalmeer. Vanmorgen waren het er twee! En ze vlogen niet weg van een uitkijkpost langs het water, zoals gewoonlijk, maar van een plek  op de steilwand langs het Kristalmeer.  Die steile, lemige wand van een paar meter hoog was bij de inrichting van het Bevrijde land voorbestemd voor oeverzwaluwen. Zij hebben er nooit gebroed, maar in 2007 zat daar wel een nestholte van een paar ijsvogels. Hun broedpoging laat in het seizoen had geen succes, maar leverde wel onvergetelijke beelden op, zoals het aanbieden van een vers visje door manlief aan zijn beminde. De foto hieronder getuigt daarvan.
De jaren daarna kwam er slechts nu en dan een ijsvogel langs voor een snack uit het water. Het heeft er alle schijn van dat deze vliegende juwelen dit jaar een nieuwe broedpoging willen wagen. Ik hoop maar dat ik ze niet verstoord heb door mijn onverhoedse verschijning vanmorgen bovenaan de steilwand.

Paartje ijsvogels bij de steilwand aan het Kristalmeer (2007)

31 maart 2020. Nachtzangers
Middernacht, bedtijd. Voor het slapen gaan loop ik nog even de tuin in om het donker  te proeven. De lucht is helder en koud, met het pittige aroma van een winternacht. Mijn adem blaast dampwolkjes de duisternis in. Heerlijk om een paar minuten te luisteren naar stilte in plaats van naar de dolle wereld van alledag.  De wind is gaan liggen en de stilte is volmaakt.
Dan hoor ik langgerekte, geheimzinnige, gorgelende klanken ergens vanuit de nachthemel. Het is de zang van een overvliegende kerkuil die in de kapschuur van de buren nestelt;  een geluid dat de nachtelijke stilte eigenlijk alleen maar accentueert. Nu hoor ik ook een zacht en laag roepen oeh… oehh. De zang van een ransuil die al een paar jaar in een sparrenbosje bij de overburen nestelt.
Weer daalt de stilst mogelijke stilte neer over het land. Zelfs de bomen ruisen niet meer. Tot er opeens van dichtbij een schel ‘wieuw’ klinkt.  Zowaar en steenuil!  Uit een andere richting wieuwt een soortgenoot terug, wat lager van toon en heel ver weg. Ze zijn er dus nog, die prachtuiltjes, hier in Holthe!
Het is dus een echte uilennacht. Geen wonder. Een scherp afgetekende maansikkel staat laag boven de horizon aan de inktzwarte nachthemel. Ik kijk omhoog en staar verwonderd naar zoveel  oneindigheid. Zelden zag ik ontelbare sterren zo helder stralen. De Melkweg ligt als een zilverglanzende loper over het uitspansel. Ik zou wel willen verdrinken in de diepte van het heelal, zweven tussen de sterren. Eigenlijk doe ik dat ook, nu ik me intens verbonden weet met onvoorstelbare schoonheid, grenzenloosheid, eeuwigheid. Deelgenoot van het ultieme mysterie van zijn, net als de uilen.

VOGELS, Kerkuil, 2016-01-20, Musselkanaal, vervallen schuur-1 - kopie VOGELS, Steenuil, 2016-0-18, Holthe, nestkast bij Otto Krediet-2 - kopie
Kerkuil slapend in oude schuur (links);
jonge steenuilen in nestkast in Holthe (rechts)

20 maart. Dode schoonheid
Slenterend over het Vaderland zie ik ergens een grof, strokleurig restant liggen van een dode plant, afstekend tegen het groene mos. In een vlaag van netheid raap ik het op om het later in de groencontainer te deponeren. Pas dan valt me op dat ik iets bijzonders in handen heb. Het is de top van een Doornappel met drie zaaddozen. Hij moet afkomstig zijn van de plant die vorig jaar op  een hoop composterend materiaal aan de bosrand groeide, want dat was het enige exemplaar hier.
Bovendien blijkt bij nader inzien dat ik een sieraad vasthoud. Door bacteriën en schimmels, weer en wind zijn de zaaddozen gebleekt en verweerd tot een fijn kantwerk met daaraan nog steeds de forse stekels die de plant zijn naam bezorgen. Prachtig!
Voor kunst hoef je nooit ver van huis.

HOL, doornappel

15 maart 2020. Vroege bokalen
Toen ik vanochtend mijn rondje door Schepping liep, zag ik op een lemige plek een paar ronde gaten in het mostapijt. Het bleken paddenstoelen te zijn, de Bokaalkluifzwam. Er groeiden een stuk of twintig van deze bruine bekers bij elkaar in de buurt van een eik, waar ze een vriendschappelijke relatie mee onderhouden. De Bokaalkluifzwam verschijnt altijd in het voorjaar en niet in de herfst, zoals de meeste paddenstoelen. Dit jaar is hij abnormaal vroeg, gestimuleerd door de zachte winter en uitgenodigd door de nattigheid in februari. Het merendeel van de waarnemingen in Drenthe stamt uit mei.

Bokaalkluifzwam
Bokaalkluifzwammen in Schepping, maart 2020

12 maart 2020. Filosofenpad
Net terug van een tiendaagse vakantie in Andalusië. Twee dagen later werd in Spanje de noodtoestand uitgeroepen in verband met de corona epidemie.Daarna mocht je niet meer zonder noodzaak buiten lopen. Hebben wij even geluk gehad!
We verbleven er in een fijn appartement ten noorden van Malaga te midden van olijven en rondom met ruige bergen, ingebed in de natuurlijke stilte van de wind in de bomen en heldere sterrennachten. Onze gastvrouw Christa had door de grote bostuin een paadje aangelegd: El camanito del filosofo. Daarlangs waren op strategische punten zelfgeschilderde bordjes opgehangen met wijze spreuken van filosofen uit allerlei culturen. Als ik de teksten op me in laat werken wordt het lopen van dit paadje een weg naar mezelf. Hieronder zijn een paar bordjes met spreuken afgebeeld.

AND, 2020-03-04-42, Alfernate, Casa Christa,filosofenpad - kopie AND, 2020-03-04-36, Alfernate, Casa Christa,filosofenpad - kopie AND, 2020-03-04-43, Alfernate, Casa Christa,filosofenpad - kopie

28 februari 2020. Neushoorns in de tuin
Februari was kleddernat. Prachtig voor de uitgedroogde natuur. Toch ben ik blij dat vanochtend de zon weer eens schijnt in een blauwe lucht met onschuldige stapelwolken. Het geeft mij een lentegevoel, en niet mij alleen. Opeens zingen er allerlei vogels; veel koolmezen, roodborst, winterkoning, twee zanglijsters. Een groene specht lacht. Boodschappers van het naderende voorjaar.
In dat verband heb ik de moestuin voorzien van mest van mijn eigen schapen. Elk jaar haal ik na het winterseizoen de schapenstal leeg. De mest, gemengd met veel stro en hooi, krui ik naar een vaste plek aan de rand van een nabijgelegen bosje. Daar mag de mest dan een jaartje verteren. Bij het wroeten in de mesthoop kwamen vandaag een stuk of zes lompe witte keverlarven tevoorschijn van zo’n 3 centimeter lang. Ze leken veel op engerlingen van de Meikever, maar die leven van graswortels. Het bleken de larven te zijn van de Neushoornkever! Deze zeer grote kever is in het noorden van Nederland zeldzaam. Ik heb de volwassen dieren hier nog nooit gezien. Wikipedia vermeldt dat de larven vroeger vooral leefden in vermolmd hout van woudreuzen, maar dat ze zijn overgestapt naar ander broeiend plantaardig materiaal, zoals hopen van compost of houtsnippers. De larven schijnen 3-5 jaar te leven en kunnen wel 12 cm lang worden. Bij mij zijn het dus nog jonkies.
Ik heb de engerlingen van de neushoornkever die het daglicht zagen na afloop van mijn tuinarbeid teruggezet in het restant van de mesthoop. Die lijkt nog groot genoeg voor hun verdere ontwikkeling. Misschien zie ik over een paar jaar wel zo’n kanjer van een kever ’s avonds rondvliegen. Dat zou een geweldige beloning zijn voor mijn beperkte neushoornzorg.

HOl, neushoornLarven van de Neushoornkever in hoop oude schapenmest in Schepping

26 februari 2020. Muizenissen
Een week geleden zijn mijn twee maaimachines opgehaald voor hun jaarlijkse onderhoudbeurt. Ik probeerde mijn  zitmaaier uit de stalling te rijden, maar de motor gaf geen kik. Henk-Jan van het mechanisatiebedrijf keek bedenkelijk. Er was wat met de electronica en het glasplaatje voor het dashboard was helemaal beslagen. Hoogst verdacht.
Vandaag was ik bij het bedrijf en vanuit de werkplaats wenkte Henk-Jan me met enig enthousiasme. ‘Ik heb de oorzaak van de motorstoring ontdekt. Moet je eens kijken!’ Hij had de afdekking van het besturingssysteem verwijderd, maar van de daar aanwezige kabels en de printpraat was niets te zien. Alleen een compacte bal van dorre bladeren en gras. Een muizennest!
De muizen waren door een nauwe opening naast de uitgaande kabels naar binnen gekomen en hadden vervolgens hun winterverblijf naar eigen smaak ingericht. Daarbij hadden ze in het voorbijgaan een stel in de weg zittende kabels doorgeknaagd. De bladerbal stonk overweldigend naar muizenpies. Zelfs Henk-Jan had in zijn langjarige loopbaan nog nooit zoiets gezien.
De rekening van deze schoonmaakbeurt zal in de papieren lopen want het hele elektronische gedeelte moet worden vernieuwd. Helaas kan ik de kosten niet verhalen op de muizen, want hun huidige adres is mij niet bekend.

23 februari 2020. Stilte voor de storm
Het KNMI had er al voor gewaarschuwd: Deze zondag valt de regen bij bakken uit de hemel. Alweer, want deze maand is extreem nat en onstuimig. Voor de verandering is het vandaag windstil. Het enige geluid is het gestage gedruis van de regen. Overal staan diepe plassen rondom het huis en in het Kristalmeer steekt het eilandje nog maar net boven het water uit. In de Azuren Zomp heeft het peil de voet van de den op het eilandje bereikt en in het Vaderland zijn beide poelen ineen gevloeid tot één plas. Wie had dat kunnen denken na het extreem lage waterpeil in augustus vorig jaar?

IMG_5065 - kopie
De Azuren Zomp bij hoog water

Uren ruist de regen neer uit de stille grijze hemel, maar vroeg in de middag houdt het plotseling op. Daarmee is de rust voorbij. Zo gauw de laatste regendruppel is gevallen hoor ik een luid geraas, alsof er een trein op volle snelheid aan komt denderen.  Het is het geraas van een woeste westenwind in de toppen van de bomen, die wel mee moeten deinen op het ritme van de windvlagen. Nog nooit zag ik een verstilde atmosfeer zo abrupt omslaan in luidruchtige beweging. De rest van de middag stormt het.
Als de wind tegen de avond een beetje luwt, loop ik een rondje over het Vaderland. De gewoonlijk zo droge grond sopt onder mijn voeten. Niet alle bomen waren buigzaam genoeg om het natuurgeweld te doorstaan. Vier flinke bomen in de bossingel zijn door de storm geveld of ernstig gehavend.

IMG_5060 - kopieOude vogelkers op het Vaderland, geveld door een rukwind

18 februari 2020. Kleurrijke gasten voor het raam
Op een paar meter van het raam van de achterkamer staat een tafel die elke ochtend uitbundig wordt bestrooid met een mengsel van allerlei zaden, vooral veel zonnepitten. Er is bijna altijd wel wat te beleven. Nu strijkt er een forse plompe vogel neer op de voertafel. Een appelvink!
Wat verder naar achteren is een stukje blauw papier in een struik blijven hangen. Vreemde kleur blauw, bijna licht gevend. Wacht eens even …. niks papier. Een ijsvogel!

Voor een uitgebreider verhaal zie de column ‘Gevederde vriendjes’ op de pagina columns.

HOL-VOGELS, Appelvink, 2020-02-18, voertafel-1 - kopie  HOL-VOGELS, IJsvogel, 2020-02-18, tak bij lelievijver-4 - kopie
Appelvink (links) en IJsvogel (rechts)

15 februari 2020. Keienpaadjes
Als je een flink stuk land hebt, zoals ik, kun je niet elke dag romantisch voor je uit zitten staren tot er weer een regenboog verschijnt. Er is ook altijd het nodige te doen. Vandaag is dat het onderhoud van de veldkeienpaden op het erf. Ik moet toegeven dat die bestrating hobbelig is en niet erg praktisch voor lieden die slecht ter been zijn. Maar ik heb nu eenmaal een zwak voor veldkeien en voor de ouderwetse keienweggetjes die nog hier en daar in Drentse boswachterijen te zien zijn.
Aanvankelijk legde ik de keitjes los in het zand, doch in de voegen vestigden al snel veel grassen en andere planten. Regelmatig wieden was noodzakelijk. Elke zomer bracht ik zo heel wat dagen op mijn knieën door met een voegenkrabber in de hand. Bovendien verzakten voortdurend delen door gegraaf van mollen en andere bodemdieren. Met de groei van het padennetwerk in mijn tuin was dat niet vol te houden. Daarom heb ik een jaar of tien geleden alle paden overnieuw gelegd, maar nu in een bed van beton. Minder romantisch en aanvankelijk ook niet zo mooi. Na een jaar of twee waren de keien echter wat verweerd en vaak groen uitgeslagen. De cementvoegen werden bevolkt door allerlei mossen, zodat van de voegspecie bijna niets meer te zien was. Geen verzakkingen, weinig onderhoud. Ik ben dik tevreden.
In de loop van de jaren word de laag mos op de paadjes dikker en er hoopte zich steeds meer aarde op. Een nieuwe kans voor grassen en andere planten om zich te vestigen. Sommige wortels zijn zo sterk dat ze diep in het cement doordringen, bijvoorbeeld van paardenbloemen. Dat is het begin van het einde. Het is overigens wel een geruststellende gedachte dat de natuur uiteindelijk alle menselijke bouwsels weer koloniseert, zodat ze geleidelijk weer deel gaan uitmaken van de aarde. Toch wil ik mijn paadjes nog wel eventjes in stand houden. Vandaar mijn bezigheden vandaag.
Helemaal schoon worden die paadje  niet. En dat hoeft van mijook niet. Dan blijven er genoeg mossen over om deze schoonmaakactie spoedig met een lieftallig groen manteltje te verhullen.

IMG_4903 - kopie

9 februari 2020. Ciara
De eerste winterstorm raast over het land. Zij is zo heftig dat ze zelfs een naam heeft gekregen: Ciara. Al heet het een winterstorm; koud is het niet. De zuidwester voert zachte lucht aan en de thermometer aan het stookhok wijst 10 graden aan. Zelfs in Moskou is het geen winter. Geen wonder dat er vandaag in Schepping al een echte voorjaarsbode verschijnt. In de stal staat vanmorgen maar één schaap en er klinkt een ijl, hoog blaatstemmetje. Het eerste lammetje, dat bont gevlekt, ferm en fier op zijn pootjes staat. Vertederend hoe moeder Bles haar kind met zorg  omringt. Ze heeft wel wat extra schapenbrokjes verdiend. De wind heeft het lam zijn of haar naam  geschonken: Ciara.

HOL, 2020-02-12, Bles met lam Ciara-4 - kopie
Bles en Ciara

6 februari. De veenputjes van Harm Moed
Ik heb de laatste dagen veel binnen gezeten. Tijd om de zinnen te verzetten. Gewapend met een beugelzaag en snoeischaar loop ik naar het broekbosje met veenputjes dat ik begin 2018 heb aangekocht. Er staat daar nogal wat Amerikaanse vogelkers tussen de berken en vuilboom. Die opdringerige exoot kan maar beter worden verwijderd voordat hij zich nog verder uitzaait.
De veenputjes zijn maar vijf minuten lopen van huis. Toch waan ik me in een andere wereld. Grillige berken groeien er schots en scheef op onregelmatige veenrichels tussen kuilen met bruine drab en donker water. Het zijn veenputten waar de legendarische Harm Moed tot in de vijftiger jaren turf stak om de winter door te komen. Hij had destijds een woonwagen onder oude eiken op een zandrug wat noordelijk van deze plek, alsmede een ondergrondse stal met een koe en een geit. Nu komt er vrijwel nooit meer iemand. Je moet altijd goed uitkijken waar je loopt. Een buurman heeft jaren terug een been gebroken toen hij over een boomwortel struikelde en in een veenput terecht kwam. Het verhaal gaat wel dat hij behoorlijk aangeschoten was.
Ik verzaag een stuk of tien vogelkersen tot hanteerbare stukken. Na twee jaar drogen zijn ze prima brandstof voor de houtkachel. Heerlijk werken hier in alle rust en een omgeving die woest en ledig lijkt in een overigens aangeharkt land.

HOL-BOSJE, 2020-02-06, veenputjes-5 - kopie

Op de terugweg zie ik in het eikenbos een flinke zwarte keutel onderin een ondiep gat met steile wanden. Typisch een dassenlatrine. Ik had al eerder graaf- en krabsporen in het bos gezien, maar een latrine nog nooit. Ik heb een tijdje gezocht naar een hol, maar niets gevonden. Het is hier wel een prachtige uithoek voor een dassenburcht.

ZOOGDIER, Das, 2020-02-06, keutel in latrine, Holtherbosje - kopieDassenlatrine

5 februari. Azuren Zomp

2020-02-05, weerspiegeling zon in Azuren Zomp-3 - kopie

Wie de zon in het water ziet schijnen
Mag zalig verdrinken in licht

4 februari 2020. Lichtend mos
Pril voorjaarsweer. De zon schijnt, de krokussen staan wijd open en de eerste zanglijster zingt in de bosrand. Heerlijk om over het Bevrijde land te slenteren, langs de oevers van het Kristalmeer en naar de linde op Tao. Op de terugweg naar huis zie ik hoe het bemoste grasland door het strijklicht van de lage zon wordt gestreeld, hoe de bomen daarop lange schaduwen werpen. Ik heb dat al tientalen malen gezien, maar nu zie ik het pas echt. Geraakt door schoonheid sta ik een tijdje als aan de grond genageld.

2020-02-04, zuidstrand met strijklicht en schaduwen-2 - kopie

Strijklicht

Schaduwen van hoge bomen
Zacht zonlicht 
Weeft  nietig mos
Glanzend zilvergroen
Tot zwevend tapijt
In trillende lucht
Boven de Aarde
Onder mij

31 januari 2020. Bolletjes
Een weervrouw zei een dezer dagen in het journaal dat “typisch Hollands winterweer nog in geen velden of wegen te bekennen is”. Onbewust een staaltje nostalgie, want ze doelde op ouderwets Hollands winterweer met schaatsbaar ijs, sneeuwpret en een elfstedentocht ergens in het achterhoofd. Ik heb deze winter geen vlokje sneeuw gezien en alleen rond oudjaar lag er op de plassen een flinterdun laagje ijs. Een boterzachte winter lijkt het nieuwe Hollandse normaal.
Deze januari behoort tot de top-vijf van warmste januarimaanden ooit gemeten en december stond in de warmste top-tien. Geen wonder dat na zulke oververhitte wintermaanden de sneeuwklokjes en boerenkrokussen op het erf al volop bloeien. Maar het was voor mij een verrassing dat ook al een narcis het lef had zijn bloem te openen. Dat is hier nog nooit in januari gebeurd. Deze primeur is weggelegd voor een Wilde narcis, een nazaat van de inheemse narcissen die een eeuw geleden in grote getalen de Drentse beekdalen bevolkten. Nu resten daarvan alleen wat exemplaren die destijds overgeplant zijn naar boerentuinen in Ruinerwold, Nijeveen, Oud-Schoonebeek en andere dorpen in Zuid-Drenthe. De Wilde narcis heeft een elegante bloem met een heldergele rok, omgeven door vijf lichtgele bloemblaadjes die schuin naar voren neigen. Heel wat anders dan de alom gekweekte Trompetnarcis met veel grotere, knalgele bloemen die wijd open staan en niets te raden laten. Een beetje ordinair eigenlijk, die Trompetnarcis.

HOL-PLANT, Narcissus pseudonarcissus, 2010-04-05, Vaderland - kopie
Wilde narcis in Schepping

24 januari 2020. Tuinvogels
Dit is het weekend van de nationale tuinvogeltelling. Ik doe al een paar jaar mee en ook nu neem ik weer een halfuur de tijd om de vogels in mijn tuin te tellen en te noteren. Daarbij beperk ik me tot het erf rondom het huis, want het hele land van ruim 8 ha met plassen en bos als tuin meetellen is natuurlijk een beetje vals spelen.
De telling kan tot en met zondag plaatsvinden maar voor mij is het van groot belang om de klus  deze vrijdag te klaren. Dat heeft twee redenen. Op de eerste plaats is het een paar dagen behoorlijk fris geweest met in sommige nachten zelfs een graadje vorst. Kou lokt altijd vogels naar gemakkelijk bereikbaar energierijk voer dat ik elke ochtend in ruime hoeveelheid uitstrooi op en rond twee voertafels. Geelgorzen en kepen zie ik bijna alleen in koude periodes in de tuin.
De tweede reden is nog belangrijker: Henk komt. Dat zit zo. Henk is mijn buurman die bijna elk weekend vanuit Rotterdam naar Holthe reist om hier te genieten van het buitenleven. Hij is dol op vogels en andere dieren. Zijn hele tuin hangt daarom vol nestkasten in allerlei maten en soorten en hij heeft een prachtige, beschutte voerplek voor vogels gemaakt onder een oude appelboom. Als Henk hier verblijft, is er in mijn tuin nauwelijks meer een vogel te zien, terwijl het bij hem fladdert en tjilpt van je welste. Mijn gevederde vriendjes lopen gewoon massaal over. Hoe hij dat flikt, weet ik niet precies. Ik vermoed dat hij een sterren-vogelrestaurant beheert met gedroogde meelwormen, gemalen insecten en diverse soorten pindakaas, terwijl ik gewoon een snackbar run met simpele vetbollen en zonnenbloempitten. Wellicht vinden ze zijn restaurant ook wel knusser ingericht. Of misschien vinden ze Henk gewoon leuker.
Ik gun Henk trouwens alle vogeltjes van de wereld. ‘Mijn’ tuinvogels zijn uiteraard niet van mij, maar zo vrij als een vogeltje. En ik kan de rest van de week volop van ze genieten.
Voor de landelijke tuinvogeltelling is deze vrijdagochtend dus heel geschikt. Hieronder volgt het resultaat van mijn telling, in totaal 96 vogels van 21 soorten. Nooit eerder waren dat er zoveel. Natuurlijk een paar gelukstreffers, zoals de sperwer die een verrassingsuitval deed naar de voertafel, zonder succes dit keer. En het groepje kramsvogels dat toevallig in de bomen langs de weg neerstreek.
Zo’n vogeltelling, hoe beperkt ook, drukt me met mijn neus op sommige trends die landelijk al jaren spelen, zoals de afname van mussen. Tot voor drie jaar was de Ringmus veruit de talrijkste vogel op de voertafel met soms wel 40 exemplaren die elkaar letterlijk van de plank afduwden. Daartussen zaten ook altijd wel een stuk of tien huismussen. Nu waren er nog maar acht ringmussen en de huismus ontbrak helemaal. Aan de andere kant is de Appelvink pas sinds twee jaar een vaste klant in vogelsnackbar Schepping.

2020-01-24, voertafel met groenling, vink, keep
Voertafel met groenlingen en één keep

Kramsvogel 14          Vink 6                                     Sperwer 1
Koolmees 12              Merel 4                                   Winterkoning 1
Geelgors 10                Holenduif 3                            Roodborst 1
Groenling 10             Gaai 3                                       Matkop 1
Ringmus 8                  Zwarte kraai 2                       Keep 1
Pimpelmees 7           Grote bonte specht 2             Goudvink 1
Spreeuw 7                 Ekster 1                                    Appelvink 1

2020-01-24, holenduif, geelgors, ringmus op strooivoer
Holenduif, ringmussen en geelgorzen op strooivoer

19 januari 2020. Dwingelderveld
Zondag. Zonovergoten en fris. Een prima dag om laaat in de middag een flinke wandeling te maken aan de noordkant van de Dwingeloosche Heide. Opnieuw sta ik versteld van de magische kracht van licht. Woorden schieten te kort. Daarom laat ik beelden spreken.

DSC02081 - kopie

DSC02101 - kopie

DSC02107 - kopie

DSC02115 - kopie

18 januari 2020. Opnieuw alle kleuren
Licht blijft me verrassen. Vanmiddag spant zich alweer een regenboog achter het huis, van aarde tot aarde.

10 januari 2020. Regenboog 
Ik zit achter mijn computer en, gelukkig, tegelijk voor een groot raam met uitzicht op de tuin achter het huis, de schapenwei en verderweg het bos. Het is laat in de middag van de zoveelste druilerige dag in deze herfstige winter. De schemering valt vroeg vandaag. Opeens lijkt het of iemand het licht aan doet. Een beetje verbaasd kijk ik op. De toppen van de berken achter het huis baden in een oranje gloed, afstekend tegen de loodgrijze achtergrond van de buienwolken. Kennelijk heeft de lage avondzon een opening in het wolkendek gevonden. Het regent nog steeds een beetje.
En dan, hoog boven de bomen, spant zich een kleurige, heldere regenboog. Ik snel naar buiten om te genieten van dit schouwspel, het te voelen en te proeven. Hoog boven het Bevrijde land verheft de hemelboog zich stralend voor de loodgrijze wolken.
Alweer licht dat een wonder te weeg brengt. Misschien wordt dit wel mijn grote thema dit jaar.
Licht. Ik hoop dat de hele wereld met me meedoet!

 

Zie ook de column van 10 januari met de titel ‘Hemelboog’ (pagina columns)

6 januari 2020. Lichtwerk
Ik heb niet zoveel met de tradities van oud en nieuw, en al helemaal niet met het afsteken van vuurwerk. Wat stelt een nieuw kalenderjaar eigenlijk voor? Het lijkt me een menselijke behoefte om een baken te plaatsen in de tijd in een vergeefse poging om  grip te krijgen op dat wat eeuwig vloeit. Als je ervoor open staat, begint elke dag een nieuw jaar, een nieuwe eeuw, een nieuwe eeuwigheid. Iedere dag is bij uitstek geschikt om eeuwigheid te ontdekken.
Wat me wel aanspreekt rond het einde van het jaar is de zonnewende, het tijdstip waarna de dagen weer gaan lengen; de aankondiging van een nieuwe lente, een nieuwe zomer. De eerste tekenen zijn er al. Hazelaars laten hun katjes stuiven en een grote lijster zingt ergens ver weg een ingetogen melodie. Het is tijd voor mijn traditionele nieuwjaarwandeling, deze keer samen met Christine door de bossen van het Hart van Drenthe tussen Elp en Grolloo.
Op deze saaie, grijze winterdag hebben we het bos voor ons alleen. Af en toe passeren we een veentje met okergele pijpenstro en roerloze silhouetten van bomen, verzacht door nevelflarden. Het land is in zichzelf gekeerd en verstild. Zelfs geen vogel die de moed heeft om de stilte te doorbreken. Slechts een enkele windvlaag brengt beweging en geruis in de toppen van de dennen. Daarna weer de diepe, weldadige stilte van natuur in winterrust.
We naderen vanuit het westen het Grolloërveen, een zompige vlakte van beige pijpenstro, rond een meer met bruinzwart water, omsloten door golvende contouren van diepgroene sparrenbossen. Je zou je hier gemakkelijk in Midden-Zweden kunnen wanen. Terwijl we dit magnifieke landschap in ons opnemen, licht opeens een smalle strook van het grauwe veen fel op, alsof er een zoeklicht over het land strijkt. Verrast kijken we om. De laagstaande, maar heldere zon is onder een donkere wolkenband gezakt in een opaalblauwe lucht met vriendelijke lentewolkjes. Het is alsof er boven ons een schuifdak wordt geopend.
Een minuut later heeft het landschap een metamorfose ondergaan. De pijpenstrovlakte is goudgeel betoverd, het meer kleurt diepblauw met aan de randen rossige randen van veenpluis. Zilverwitte berkenstammen tekenen zich af tegen de donkere sparren; de fijne berkentwijgen verkleuren intens paars. Boven het veen zweeft een blauwe kiekendief, bijna wit als een zeemeeuw in de avondzon.
Ja, het licht kwam en heeft ons volkomen vervuld. Het jaar had niet mooier kunnen beginnen.

31 december. Oud en Nieuw
Oudjaar. Proberen om ongeschonden de nationale oliebollen- en vuurwerkdag door te komen. Morgen lonkt het nieuwe jaar 2020. Het klinkt nog onwennig, maar dit getal staat me wel aan.
De hoogste tijd om ook op deze site mijn nieuwjaarskaart te presenteren. Wat zou het trouwens mooi zijn om elkaar iedere dag een gelukkig jaar toe te wensen!

Nieuwjaarskaart 2020 Scan

Sommigen vragen zich af wat dit kleurrijke plaatje eigenlijk voorstelt. In de kleine zwarte lettertjes onderaan wordt een tipje van de sluier opgelicht: ‘buxusmotten in fontein in Chatillon-en-Dois, France’. Een vakantiekiekje dus.
In september vierden Christine en ik tien dagen vakantie in de Drôme in het zuidoosten van Frankrijk. Het is een heerlijk heuvellandschap, bestrooid met antieke dorpen en stadjes. Een van die middeleeuwse plaatsjes is Chatillon-en-Dois. Op het centrale plein vloeit al eeuwen lang kristalhelder water uit een getemde bron in twee stenen bekkens. Onder het buisje waaruit het dunne waterstraaltje valt, groeien mossen op de permanent vochtige muur. Uit de verte leken er sneeuwvlokken aan vast te plakken, maar dichterbij gekomen bleken het buxusmotten te zijn die zich laafden aan het natte mos. De hele Drôme was na een extreem hete zomer gortdroog. Geen wonder dat de vlindertjes zo massaal deze kostbare bron bezochten.

DROME, 2019-09-16-037, Chatillon-en-Diois, fontein met buxusmotten - kopieIn de bassins dreven op het wateroppervlak honderden dode buxusmotten. Ze vormden een wonderbaarlijke collage van parelmoer glanzende, witte vleugels met een zwart rouwrandje, samen met rode bloembladeren van de begonia’s aan de rand van het bekken en goudgele bladeren van een overhangende boom. Alles deinde zachtjes  op en neer op het ritme van de rimpelcirkels in het water.
Schoonheid is onsterfelijk.

DROME, 2019-09-16-048, Chatillon-en-Diois, fontein met buxusmotten - kopie

7 november 2019. Uitzending over Schepping in Roeg op 9 november a.s.
Tijdens de PWD-excursie van 4 november j.l. zijn door Jan Dijk opnamen gemaakt voor het natuurprogramma Roeg van RTV Drenthe. De daarvan gemaakte collage wordt voor het eerst uitgezonden op 9 november a.s. om 17.10 uur en daarna een aantal malen herhaald.

oef pwd hollthe eef arnolds schepping.CR2
Eef in gesprek met Jan Dijk van RTV Drenthe in Schepping op 4 november (foto Geert de Vries).

4 november 2019. Paddenstoelenexcursie in Schepping
Zoals ik al had verwacht heeft de vorst van vorige week de paddenstoelenpracht van de afgelopen tijd goeddeels weggevaagd. Veel paddenstoelen zijn net zo gevoelig voor vorst als dahlia’s. Vooral in de open terreingedeelten is de schade groot. Van de ‘klaprozenvelden’ vol Zwartwordende wasplaten resten nu slechts wat verschrompelde, zwarte lijken. Jammer voor de Paddenstoelen Werkgroep Drenthe, die hier vandaag voor het eerst in haar bestaan een officiële excursie houdt.

PAD, Hygrocybe conica f. pseudoconica, 2019-10-16, Holthe, Schepping, bekalkt grasland-1 - kopie
Zwartwordende wasplaat in verschillende stadia

Ondanks de gematigde mycologische verwachtingen komen er 22 deelnemers opdagen, sommigen gewoon uit nieuwsgierigheid naar Schepping.  Jan Dijk van RTV Drenthe is ook van de partij om een kleine rapportage te maken van deze happening voor het natuurprogramma Roeg. Het is al met al een prettig, enthousiast gezelschap. In gezapig mycologentempo doorkruisen we grote delen van het terrein en met name in de bosjes blijkt nog genoeg van onze gading te vinden. Daar groeien paddenstoelen enigszins beschut tegen de vorst omdat de meeste bomen nog goed in het blad zitten.
Het eindresultaat van onze expeditie overtreft mijn stoutste verwachtingen. Met een totaallijst van 180 soorten doet Schepping zijn faam als ‘mycologische hotspot’ eer aan. Dat komt mede door het grote aantal ogen dat hier vandaag rondkijkt. We vinden tal van bijzonderheden, ook een stuk of tien soorten die niet eerder in het terrein werden waargenomen. Daarover wordt bericht op de website van de Paddenstoelenwerkgroep Drenthe (https://paddenstoelenwerkgroepdrent.com). Maar daarnaast is het ook genieten van het mooie landschap, de schitterende herfstkleuren en van het even kleurrijke gezelschap.  Omstreeks 4 uur keren de laatste deelnemers huiswaarts, sommigen de paddenstoelenuitputting nabij. Al die vormen, kleuren, namen, indrukken. Duizelingwekkend soms.
Met een glaasje port in de aanslag kijk ik terug op een prachtige dag in goede harmonie.

oef pwd hollthe eef arnolds schepping.CR2
Paddenstoelenexcursie op 4 november (foto Geert de Vries).

1 november 2019.  Vorst
Voor het slapen ga ik naar buiten om nog even wat frisse nachtlucht op te snuiven. Een weldadige stilte omhult me, wordt hoorbaar, tastbaar tot in mijn poriën. Ook de wind is gaan liggen, heeft zich neergelegd bij de stilte van deze nacht. Het enige geluid komt uit het gras, dat zachtjes knispert onder mijn voetstappen. En één keer de ijle kreet van een kerkuil, ver weg. Boven mijn hoofd fonkelen ontelbare sterretjes aan het heldere uitspansel. Met het uitademen blaas ik witte wolkjes die ongemerkt oplossen in het niets. In het schijnsel van mijn zaklamp zie ik de witte glinstering van fragiele rijp op de planten en het mos. Het vriest. De winter is in aantocht.
Dat blijkt ook als ik vanochtend de moestuin inloop. Gisterenmiddag stond er nog een fiere, manshoge haag van ouderwetse boerendahlia’s met frisgroen blad en roodwitte bloemen zo groot als theeschoteltjes. Nu hangt het loof er grauw en slap bij. De bloemen buigen zich nederig naar de grond, verlept en papperig. De schoonheid van uitbundig leven overgegaan in de schoonheid van vergankelijkheid.

IMG_4003 - kopie

11 oktober 2019. Hotspot
Vanaf vandaag is Schepping officieel een ‘paddenstoelenhotspot‘. Dat zit zo. De Nederlandse Mycologische Vereniging heeft onlangs het initiatief genomen om de belangrijkste gebieden voor paddenstoelen in ons land letterlijk op de kaart te zetten, in de hoop zo meer interesse te kweken voor het behoud van paddenstoelen en de voor hen belangrijke terreinen. Daartoe is het hele waarnemingenbestand van 2,5 miljoen waarnemingen geanalyseerd op het voorkomen van Rode-lijstsoorten. Op de Rode Lijst van paddenstoelen staan alle soorten die in Nederland verdwenen, bedreigd of zeer zeldzaam zijn. Hoe meer Rode-lijstsoorten in een bepaald gebied voorkomen, hoe ‘hotter de spot’.
Eerlijk gezegd voelt deze zwamcompetitie voor Schepping wel enigszins als ongevraagde deelname aan een miss Holland verkiezing of Eurovisie songfestival. Maar ja, een beetje trots op de uitverkiezing tot ‘hotspot’ kan ik niet ontkennen.
Zoals je merkt, zet ik het woord ‘hotspot’ tussen aanhalingstekens omdat ik de voorkeur geef aan een Nederlandse uitdrukking. ‘Topgebied’ bijvoorbeeld. Of het prachtige ‘kroonjuweel’, dat door Leo Jalink in 1999  voor belangrijke paddenstoelengebieden werd geïntroduceerd. Maar ja, in deze weinig romantische tijden kun je daar kennelijk niet meer mee aankomen bij natuurorganisaties. Jammer is dat. 
De 15 belangrijkste mycologische  ‘hotspots’ zijn vandaag officieel gepresenteerd tijdens een bijeenkomst in Schoorl, waarbij ik ook aanwezig was om een inleiding te houden. Schepping belandde in de top-15 dankzij 134 Rode-lijstsoorten. Opmerkelijk omdat het natuurgebied  nog jong is en omdat het met een oppervlak van 5,5 ha veruit het kleinste gebied is in de top-15. Maar laten we eerlijk zijn, Schepping is ook het terrein in Nederland dat het meest intensief is onderzocht. Waar elders doet een mycoloog vrijwel dagelijks zijn ronde?

IMG_3106 - kopie

28 september 2019. Herfst!
Eindelijk een paar regenbuien. En dan is het meteen volop herfst. Natte bladeren van de notenboom voor de deur, vluchten ganzen hoog in de lucht, en overal in Schepping schieten de paddenstoelen als paddenstoelen uit de grond, als paddenstoelen inderdaad. Twee heerlijke dagen heb ik door mijn kleine paradijs gezworven om alle paddenstoelen te noteren die ik zag. Het is mijn oude professie tenslotte. Meer dan 200 verschillende soorten vond ik op een postzegel land van 5 hectare. Ongelooflijk.
Het gaat niet alleen om het noteren van namen. Het is vooral ook genieten van de rijkdom aan vormen, kleuren en geuren; verrassende vondsten; ontmoetingen met oude bekenden. De meest opvallende paddenstoel is momenteel de Zwartwordende wasplaat, die bij duizenden de bekalkte gedeelten van het Nieuwe Land siert met felrode hoeden op slanke stelen. Prachtig in harmonie met de laatste paarsblauwe bloemen van de Blauwe knoop. De hellingen van Tao lijken hier en daar wel een klaprozenveld.

IMG_2712 - kopie
Zwartwordende wasplaten en bloeiende Blauwe knoop in Schepping

22 september 2019. Warme nachten, vlinders uit het zuiden
Vanavond terug gekomen van een tiendaagse vakantie in de Drome. Op een zonnige zomerdag volgt een abnormaal zoele, bewolkte avond voor deze tijd van het jaar. Ideaal voor nachtvlinders.
Nog voor het uitpakken van de auto zet ik twee lichtvallen op, een op het Vaderland, de andere bij de schuur. Het loont de moeite. Rond middernacht wijst de buitenthermometer nog 20 graden! Op het laken vertonen zich twee nieuwe nachtvlinders voor Schepping: de Maansikkeluil en de Witte-l-uil! Het zijn volgens de verspreidingskaarten van de Vlinderstichting in Drenthe allebei  grote zeldzaamheden, maar dit jaar zijn er meer waarnemingen. Waarschijnlijk rukken ze vanuit het zuiden geleidelijk noordwaarts op dankzij de warme, droge zomers van de afgelopen jaren. In het spoor van de inmiddels beruchte Eikenprocessierups…….

 
Maansikkeluil (links) en Witte-l-uil (rechts)

9 september 2019. Oerklanken
Ik was net een prullenbak aan het legen in de grijze container, toen in de verte een sonoor, vér dragende, telkens herhaalde roep klonk van een vogel: kruuuh……kruuuh…..kruuuh. Klanken die bij mij direct herinneringen oproepen aan uitgestrekte bossen met oeroude beuken en dennen. Bepaald niet aan plastic vuilnisbakken. Oerklanken. De lokroep van de Zwarte specht.
Even later zag ik de vogel de open ruimte boven Schepping oversteken; een zwart silhouet, scherp afgetekend tegen de blauwe lucht met hoge witte wolken. Een beetje onbeholpen roeiend door de lucht, alsof hij elk moment uit de hemel kon vallen. Je ziet daaraan dat deze specht niet gewend is aan open ruimtes.
Ik las in de Vogelatlas dat de Zwarte specht na zijn vestiging in ons land begin vorige eeuw niet welkom was. Hij werd schadelijk geacht voor de bosbouw omdat hij holen in dikke bomen hakt. Tja, hout is natuurlijk alleen voor ons, mensen, bestemd…
Zwarte spechten zijn erg honkvast en verlaten hun bossen vrijwel nooit. Alleen jonge vogels willen wel eens rondzwerven, op zoek naar een nieuw territorium. Bij mij is hij meer dan welkom, maar in Schepping heeft hij voorlopig weinig te zoeken bij gebrek aan woudreuzen.
Kom over een eeuw nog eens kijken, geluksvogel!

HOL, 2008-06-01, waslijn met overhemdenJPG - kopie

6 september 2019. De bonte was 
Vanmorgen had ik een bonte was gedraaid, maar vanavond kwam ik er achter dat ik had vergeten om het wasgoed te drogen te hangen. Vandaar dat ik om elf uur in het pikkedonker nog de wasmand naar buiten zeulde in de richting van de waslijn. Er gaat  immers niets boven buiten gedroogde, frisse was. Behalve natuurlijk als de buurboer toevallig net een giertank uitrijdt. Maar dat zou vannacht vast niet meer gebeuren.
Zoals zoveel nachten hoorde ik in de verte het mysterieuze rollertje van een kerkuil. Bijna jaarlijks broedt er een paar in de kapschuur van de buren en hij jaagt graag boven de graslanden achter mijn huis, zeker in een goed veldmuizenjaar zoals nu. Ik wilde net een spijkerbroek aan de hoogste waslijn hangen, toen de schrille kreet van de uil wel heel dichtbij klonk. Opeens dook zijn vliegende silhouet vlak voor me uit het duister op, zwarter dan de nacht, geruisloos. Hij had zich blijkbaar voorgenomen om neer te strijken op een paal van de waslijn, een goed uitkijkpunt. Nu landde hij bijna op mijn omhoog gestrekte arm.
Even een kleine, soepele zwenking noordwaarts en de kerkuil was opgelost in de nachthemel. Alsof hij er nooit geweest was.

VOGELS, Kerkuil (valkenier), 2016-08-20, Tietjerk-3 - kopie

4 september 2019. Spinnetje
Daar zit ie. Pardoes midden op de tegels van de gang. De schrik van menige huisvrouw, zelfs van veel geëmancipeerde exemplaren met een stoere feministische  inborst. Een Gewone huisspin wil nog wel eens een gilletje ontlokken. Wat een joekel is dit met een spanwijdte van een centimeter of acht! Voor de foto heb ik er voorzichtig een punaise naast gelegd met een doorsnede van 1cm.
Zulke langpoten zijn mannetjes, heb ik geleerd. Gewoonlijk houden ze de wacht bij een slordig web, ergens in een donker hoekje onder een kast. Maar in de herfst verlaten ze hun schuilplaats, want dan gaan de heren op vrijersvoeten. Met gevaar voor eigen leven, want na de geslachtsdaad wordt menig minnaar door zijn geliefde met smaak opgepeuzeld. Soms gebeurt dat zelfs al voor het minnespel.
Dan heb je als spinnenman toch een beetje voor niets geleefd.

P1140833 - kopie     P1140834

3 september 2019. Buxusmot
Vannacht landde er een vrij grote, opvallend brede vlinder op het verlichte raam van de woonkamer. Nieuwsgierig geworden ging ik naar buiten met een zaklamp om het diertje van boven te bezichtigen. Het bleek een deftige schoonheid: witte vleugels met een parelmoerglans, langs de buitenrand gezoomd met een brede zwarte band. Het signalement van de beruchte buxusmot. Zijn slechte reputatie heeft hij niet te danken aan de vlinder, maar aan de rupsen die buxusheggen helemaal kaalvreten, waardoor de struikjes vaak het loodje leggen, evenals de meeste buxuskwekers. Echte rupsjes-nooit-genoeg dus!

MICROVLINDERS, Cydalima perspectalis, Buxusmot, 2019-09-03, Holthe, verlicht raam-1 - kopie

De buxusmot is een exoot, ‘per ongeluk’ geïmporteerd uit Zuidoost-Azië en in ons land voor het eerst in 2007 gesignaleerd. Hij heeft inmiddels grote delen van Zuid- en West-Nederland gekoloniseerd, maar in Drenthe is het nog een schaarse gast. Op de verspreidingskaart van de website Microvlinders staan slechts drie stipjes in de provincie, bij Diever en ten noorden van Emmen. Daar komt nu dus Beilen bij. Ik ben benieuwd of mijn bescheiden buxushaagje bij de notenboom binnenkort ook wordt belaagd door de vraatzuchtige rupsen van deze prachtmot!

31 augustus 2019. Dag zomer….
Deze zomerse zomer heeft waardig afscheid genomen. Nog één keer zo’n zonovergoten dag waarop het kwik hier steeg tot net boven de 30 graden. Heerlijk om de weldadige warmte op mijn huid te ervaren en door mijn lijf te voelen stromen. Tussen de buitenklussen door af en toe even afkoelen in het Kristalmeer, in gezelschap van de laatste watersnuffels; tere, helderblauwe libellen die af en toe mijn hand als uitkijkpost gebruiken. Door de aanhoudende droogte is zwemmen bijna onmogelijk geworden, voor het eerst in de 44 jaren dat ik hier woon. Vanuit het water kijk ik op tegen hoge, onbegroeide oevers die gewoonlijk onder water staan.

IMG_1873 - kopie

Grote delen van het Kristalmeer zijn kalrood gekleurd, alsof er een bus menie is leeg gekieperd. Het is echter geen verf, en ook geen tomatensoep, maar een of andere alg die zo fel van kleur is.
De zomerhitte werd in de nacht naar 1 september verdreven door een flinke onweersbui met krachtige donderslagen. 15 Mm in de regenmeter. Nooit genoeg, maar buitengewoon welkom voor alle wezens die hier snakken naar water.

SCH, 2019-08-27, Kristalmeer met rode en groene algen-4 - kopie

19 augustus 2019. Sjamanen en stamoudsten in Drenthe
Gisterenavond ben ik terug gekeerd van de Kiva bijeenkomst na drie overnachtingen in mijn koepeltentje onder een oude eik op de natuurcamping Maria-Hoeve. Het anders zo rustige bos werd vier dagen in beslag genomen door zo’n 500 kampeerders in tenten en busjes, de meesten uit Nederland, maar ook uit Duitsland, Engeland, Frankrijk en Spanje. Het spirituele centrum van deze happening werd gevormd door de kiva, oorspronkelijk een ondergrondse, ronde, sacrale ruimte van de Hopi indianen. Hier had de kiva de vorm aangenomen van een ronde zandkuil met een doorsnede van zo’n 20 meter, omgeven door oud beukenbos. Een waardige ceremoniële plek. De kuil was omgeven door lage aarden wallen, waarop toeschouwers konden plaatsnemen.

KIVA, 2019-08-16, kiva met altaren en vuur - kopie (2)

Doel van deze jaarlijkse kiva bijeenkomsten is het bevorderen van harmonie tussen mens en natuur en tussen mensen onderling, ofwel: aandacht voor Moeder Aarde en voor elkaar. De voorgangers in gebed, rituelen, dans en gezang zijn daarbij stamoudsten, sjamanen en wijzen. Zij kunnen putten uit rijke tradities en staan in het algemeen dichter bij de natuur dan wij, bewoners van aangeharkt en verstedelijkt West-Europa. In Mariahoeve waren alle continenten en alle huidskleuren vertegenwoordigd. Van Maori uit Nieuw-Zeeland en Aboriginals uit Australië  tot bewoners van de Mongoolse steppen, Soefi dansers uit Turkije, indianen uit Brazilië en Mexico, een Hopi uit Arizona, diepzwarte mannen uit Nigeria, papoea’s uit het voormalige Nieuw-Guinea en sjamanen uit Noorwegen, Lapland en Oostenrijk.
De sfeer onder de bezoekers was open, ontspannen en hulpvaardig. ’s Avonds werd er  muziek gemaakt en gedanst rond de kampvuren. Het was mooi om een paar dagen de  saamhorigheid van een zo diverse groep mensen te ervaren, alsof we allemaal tot dezelfde stam behoren, stamverwanten zijn. En dat is eigenlijk ook zo, maar in de waan van alledag zijn we dat ook zo weer vergeten….
Naar aanleiding van de kiva bijeenkomst heb ik ook twee columns geschreven. Zie de pagina ‘columns natuurbeleving’.

KIVA, 2019-08-15, tentenkamp deelnemers-3 - kopie

14 augustus 2019. Jarig
Vandaag vier ik mijn 71e verjaardag. Een mooie gelegenheid om mijn website in wording, tot nu toe privé, aan de buitenwereld te presenteren. Het slot eraf; het hek open!
Deze verjaardag is voor mij helemaal speciaal omdat ik vanmiddag voor vier dagen met een tentje afreis naar camping Maria-Hoeve bij Papenvoort voor een internationale ‘Roots of the earth Kiva-gathering’. Daar komen sjamanen uit verschillende delen van de wereld bijeen om hun ceremonieën en hun wijsheid te delen met de deelnemers. Ik ben uitermate benieuwd hoe ik deze happening zal ervaren.

IMG_1618 - kopie

13 augustus 2019. Nomaden met tere vleugels 
Vandaag was bij de periodieke vlindertelling in Schepping de Distelvlinder veruit de talrijkste soort met 34 exemplaren. Schitterend, die oranje zwevers en zwalkers boven de bloemenwei. Ze zaten vaak op de warmste plekken in groepjes bijeen  te snoepen van de nectar van duifkruid en knoopkruid. Deze verse vlinders zijn de nazaten van de golf distelvlinders die in mei uit Noord-Afrika naar West-Europa trok en die hier meestal zwaar gehavend en uitgeput arriveerden.
Deze trekvlinder mag het dan dit jaar goed doen; voor zijn inheemse verwanten geldt dat bepaald niet. Eén atalanta, maar geen spoor van dagpauwoog, kleine vos, landkaartje of gehakkelde aurelia. Dat was alles vandaag.

DAGVLINDERS, Vanessa cardui, 2011-08-04, Holthe, Scabiosa-4 - kopie

8 augustus 2019. De eerste Cantharellus
Vandaag heb ik de nieuwsbrief van de Paddestoelen Werkgroep Drenthe afgerond en naar leden en belangstellenden verzonden. De nieuwsbrief is ook te vinden op de website van de PWD,  https://paddenstoelenwerkgroepdrent.com/. In overleg met Rob Chrispijn heeft de nieuwsbrief nu een titel gekregen: Cantharellus. Een mooie, leuke en lekkere paddenstoel, typisch voor Drenthe. Wat wil je nog meer?
Fijn dat die klus nu geklaard is. Elk jaar opnieuw is het een vreemde onderbreking van het zomerse buitenleven.

Scan voorkant nieuwsbrief PWD 2019

3 augustus 2019. In bad met heel veel juffers
Me even onderdompelen in de verrukkelijke zomersfeer in het Kristalmeer. Talloze blauwe waterjuffertjes dansen boven het wateroppervlak, schrijven bladmuziek op de stengels van de waterbies. Terwijl ik zo badderde kwamen alle zwaluwen uit het dorp een kijkje nemen, zo’n 40 in totaal. Ze scheerden laag over het water om te drinken of beestjes van het oppervlak te pikken. Als op afspraak cirkelden ze plotsklaps omhoog om op te lossen in de hoge blauwe lucht.

IMG_1869 - kopie

28 juli 2019. Oranje boven
In de stinzenbosjes van Schepping heeft de Gevlekte aronskelk dit voorjaar rijk gebloeid. Nu is het resultaat daarvan zichtbaar in de vorm van trosjes oranjerode bessen, dicht opeen gepakt aan de top van een kale groene steel. De bladeren van de aronskelk zijn al lang vergaan. Gewoonlijk vallen de bessenknotsjes niet zo op omdat ze schuil gaan tussen het loof van zevenblad en gevlekte dovenetel. Door de droogte zijn die planten bovengronds vrijwel afgestorven, zodat de bessen nu licht lijken te geven onder het schaduwrijke zomergroen van hazelaars. Je zou zeggen dat zulke opvallende bessen gemaakt zijn voor verspreiding door vogels. Ik heb nog nooit gezien dat ze gegeten werden en ze vallen na verloop van tijd gewoon op de grond. Dan kunnen ze kennelijk wel kiemen, getuige de jonge planten die her en der opslaan.

IMG_2038 - kopie

25 juli 2019. Hitterecord
Het temperatuurrecord van gisteren (ruim 39 graden) is nu alweer gebroken. En hoe! Bij Gilze-Rijen werd 40,7 graden gemeten, meer dan 2 graden boven het aloude record van 1944 in Warnsveld. Saharatemperaturen in ons kikkerlandje. Ongelooflijk en verontrustend.
Het hitterecord was voor de tweede achtereenvolgende dag goed voor de opening van het NOS journaal. Er werden mensen in de omgeving van de heetste plek in ons land gevraagd wat ze van deze temperatuur vonden. Iedereen vond het wel best zo, in een ligstoel in de schaduw van een parasol of aan de rand van het zwembad, een koel biertje bij de hand. Niemand die zich zorgen maakte over toekomstige zomers, de natuur, de grondwaterstand, de groei van gewassen…. Lang leve de lol en het onbewuste!
Mijn tuinthermometer bleef trouwens steken bij 39 graden. Toch warm genoeg voor een lauw leembad in het Kristalmeer en daarna een koele douche onder het watervalletje in de rotstuin. Voor het eerst dat ik van die mogelijkheid gebruik heb gemaakt. Het is een flinke plens op je kop.

IMG_1828 - kopie

IMG_1896 - kopie

20 juli 2019. Regendans
Eindelijk is mijn gebed verhoord en is ook hier een flinke bui gevallen. 12 mm in de regenmeter. De planten fleuren er zienderogen van op. Uit dankbaarheid heb ik bij het vallen van de avond een regendansje uitgevoerd aan de voet van de linde op Tao. En jawel, uit een onnozel wolkje dat normaal niets zou los laten, vielen dikke druppels naar de dorstige aarde. Even maar….

HTF, 2019-07-20, Eef danst op Tao ter ere van regenbui-3 - kopie

16 juli 2019. Deksel op de put
Eindelijk ben ik er toe gekomen om de deksel te gaan plaatsen op de dit voorjaar gemestselde waterput op het landje van Moed. Christine en ik hadden na veel hersenbrekens een oplossing bedacht om te voorkomen dat onbevoegden de deksel zouden verwijderen. Hij wordt op zijn plaats gehouden door een metalen pin die aan één kant in de al aanwezige oude biels is geboord en aan de andere kant met een hangslotje aan een nieuwe houten paal vastzit. Doordat er vier blokjes hout onder de deksel zijn gelijmd die in de opening van de put passen, kan hij niet worden verschoven. Voor alle zekerheid is de nieuwe paal ook nog eens geplaatst in een betonnen voet.
Tot nu toe was de put provisorisch afgedekt met een slordig dekzeil met daarop een afgedankte pallet. Het is een hele verbetering dat die nu vervangen zijn en een grote geruststelling dat mensen en dieren niet meer in de put kunnen vallen. Tenzij ze er héél véél moeite voor doen…..

_1140375 - kopie

15 juli 2019. Wat een schat!
Dagelijks ga ik een kijkje nemen bij de pluizige schatjes die nu in het Kristalmeer rondzwemmen. Toen ik terugkeerde van het uitzichtpunt op de steilwand had ik een intieme ontmoeting met een ander gevederd vriendje. Op iets meer dan een armlengte van me vandaan zat een jonge appelvink in het gras. Het beestje was vermoedelijk pas uitgevlogen. Van de oudervogels was geen spoor te bekennen.
De vogel keek me met zijn felle kraaloogjes wat verbaasd en argwanig aan, maar maakte geen aanstalten om weg te vliegen of te lopen. Misschien vertrouwde hij wel op zijn schutkleur, want zijn verenkleed wijkt sterk af van dat van een volwassen appelvink. De kop is groenig geel in plaats van roestbruin en het zwarte slabbetje onder de snavel  ontbreekt. De borst van dit jonkie was niet rozebruin, maar bleekgeel met donkerder vlekjes. De enorme snavel, het handelsmerk van appelvinken, was al wel prominent aanwezig.

DSC01315 - kopie

12 juli 2019. Loodgrijs

IMG_1742 - kopie

Met enige jaloezie hoorde ik dat Assen, 14 km noordelijker, even blank stond door een geweldige hoosbui. De bijbehorende loodgrijze luchten en donderslagen waren in Holthe heel dichtbij, maar ik moet het doen met 1,5 mm in de regenmeter. Dus sproeien maar weer, want alles rondom het huis snakt naar water.

HTF, 2019-07-19, sproeien tuin achter huis-2 - kopie

11 juli 2019. Drijvende donsjes
Het wordt druk in het Kristalmeer. Vanmorgen hadden de families dodaars en brandgans ineens gezelschap van een moeder kuifeend met zes prachtige bruine donsjes. Ze maken een zeer knuffelbare indruk!
De laatste jaren broedt er altijd wel een kuifeend op het eilandje in het Kristalmeer. In mei zwemmen er dan een of meer paartjes rond. Op een gegeven moment verdwijnt het mannetje vermoedelijk naar een gezellig kuifeendenresort op een grotere plas. Het vrouwtje is nog wel geregeld op het Kristalmeer te zien, maar is een stuk schichtiger geworden. Eind juni lijkt ook zij verdwenen. In werkelijkheid zit ze dan vast op haar nest op het eilandje in het Kristalmeer, verscholen onder de dichte kruipwilg. Een paar jaar geleden stond ik bijna op een nest toen ik berkjes van het eilandje verwijderde. Het eendje vloog letterlijk onder mijn voet vandaan, maar heeft toen toch de eieren uitgebroed. Dapper.
En dan zijn er opeens jonkies in het water. Steevast in juli. De kuifeend is kennelijk een laatbroeder.

DSC01184 - kopie

8 juli 2019. Late lente
Zomaar in hartje zomer lente in de plas. Er zwemt vanochtend een trots paartje brandganzen in het Kristalmeer met vijf schattige donzen kuikentjes. Ze zat al weken daar op het eilandje te broeden, meestal onzichtbaar tussen de kruipwilg, maar soms met haar kop er net bovenuit stekend. Ik vermoedde dat de eieren al over datum waren en niet zouden uitkomen, maar dat bleek allerminst waar.

DSC01224 - kopie

Nog verrassender was dat er tegelijkertijd een moeder dodaars rondzwom met vier prachtige, piepkleine kuikentjes. Ik had de afgelopen maanden af en toe wel eens een glimp van een dodaars gezien en een week of twee geleden zat er eentje midden in de nacht luidkeels te lachen. Ik veronderstelde echter dat het om een achtergebleven eenling ging.

DSC01176 - kopie